Laat die heiligverklaring maar zitten

dinsdag 20 februari 2018

Is Hij heilig verklaard? Is Hij voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Vrede? Is Hij uit de doden opgestaan? De aandacht die Hij de afgelopen dagen heeft gekregen, doet zoiets vermoeden. Wie Hij is, zeg je? Ik heb het over Ruud Lubbers, vorige week overleden en inmiddels tot Historisch Figuur van Belang opgevijzeld in de diverse terugblikken. Het proces was al langer gaande, maar bereikte vorige week een wanstaltig hoogtepunt. Hier wordt een mythe neergezet: Redder van de Economie, subtiel onderhandelaar die Nederland van kruisraketten heeft gevrijwaard. Tegenover zulke bedwelmende mythevorming is een werkzaam historisch en kritisch geheugen een noodzakelijk tegengif. Want enige realiteitszin mag daartegen wel in stelling worden gebracht.

Ruud Lubbers was om te beginnen ondernemer, mede-eigenaar van metaalbedrijf Hollandia Kloos. Hij studeerde economie en werd, als vanzelfsprekend voor een politiek bewust katholieke zakenman, lid van de Katholieke Volks Partij KVP. Dat was, naast de Anti Revolutionaire Partij ARP en de Christelijk Historische Unie CHU, één van de partijen die later op zouden gaan in het CDA. Rond 1970 gonsde het in KVP en ARP: de jaren zestig lieten ook deze partijen niet onberoerd, er ontwikkelde zich stromingen van linkse christenen die aandacht wilden voor armoedebestrijding en internationale solidariteit, voor sociale rechtvaardigheid, milieubehoud en democratisering. Lubbers was betrokken bij deze progressief-christelijke richting. Maar hij was ook ondernemerszoon. Toen progressieve christenen zich van de KVP en de ARP afsplitsten en samen met andere linkse mensen de Politieke Partij radicalen (PPR) vormden, ging Lubbers niet mee. Gaat het te ver om te zeggen dat zijn gevoelde klassenbelang als ondernemer zich met succes verzette tegen het volgen van de progressieve impulsen die hij ongetwijfeld ook gevoeld zal hebben?

De jaren zestig en vroege jaren zeventig waren een periode van maatschappelijke verandering en verzet. Het politieke establishment moest zoeken naar een antwoord om enerzijds de machtsstructuur overeind te houden, anderzijds voldoende verandering te tolereren om acceptabel te blijven voor een ongedurige bevolking. Halverwege de jaren zestig koos het bestel voor onderdrukking. De ludieke demonstratieve en directe acties van een stroming als Provo in 1965-66, een beweging met een anarchistische inslag, ontmoetten aanvankelijk scherpe repressie. Maar een politie die mensen arresteert omdat ze krenten uitdeelt, een gezag dat mensen oppakt die de Amerikaanse president Johnson een moordenaar noemen vanwege diens Vietnam-oorlog… zo’n politie en zulk gezag maakt zichzelf belachelijk. Zeker als dat gezag mensen blijft oppakken die van ‘moordenaar’ behendig ‘molenaar’ hadden gemaakt omdat je ‘moordenaar’ blijkbaar niet mocht zeggen. Het belachelijke gezag verloor al snel een tot aftreden bewogen politiechef en een burgemeester. Het verloor vooral haar gezicht.

Later in de jaren zestig werd het gezag veel terughoudender in haar repressieve aanpak. Het demonstratierecht werd sterk verruimd, simpelweg omdat demonstranten die ruimte namen, en onderdrukking averechts werkte. Studenten kamen in verzet, met een tweetal stevige bezettingsacties in 1969, in Tilburg en in Amsterdam. Arbeiders gooiden zich in de strijd, met een grote wilde havenstaking in Rotterdam. Vakbonden wonnen aan invloed, bestuurders moesten vormen van inspraak en medezeggenschap op tafel leggen om nog enigszins greep op de situatie gehouden.

Vanaf 1967 lag de landelijke politieke leiding in handen van een rechts kabinet: VVD en christelijke partijen, onder leiding van KVP-premier De Jong. In de jaren zeventig, toen de economie in crisis begon te raken, groeide in ondernemerskringen en bij hun bondgenoten een verlangen naar belastingverlaging en bezuiniging. Ook wilde men de groeiende arbeidersinvloed – via vakbondsstrijd indirect voelbaar – het hoofd bieden. Waar omvangrijke stakingen en in 1972 zelfs een bedrijfsbezetting in Breda de verlangens van arbeiders kracht bij zetten, daar zetten ondernemers en hun politieke bondgenoten zich schrap. Tot die politieke bondgenoten hoorde de KVP waarbinnen Ruud Lubbers een rijzende ster bleek.

In de vroege jaren zeventig bleef rechts regeren, en bracht een toenemend verlangen naar bezuinigingen naar voren. Dat bleek niet de goede toon om tot vruchtbaar overleg met de strijdbaarder geworden vakbeweging te komen. In 1973 maakten vooruitziende ondernemerskringen, vertegenwoordigd via KVP en ARP, daarom een draai. Als ondernemers vrede wilde met de vakbondstop, dan kon dat het beste via de politieke bondgenoten van die vakbondstop, de Partij van de Arbeid (PvdA) gespeeld worden. Volgens deze vorm van ondernemerspolitiek was het dus handig dat de PvdA ging meeregeren. Gezien haar omvang betekende dat een door de PvdA geleid kabinet. Hiertoe moest binnen kringen van christelijke partijen wel weerstanden worden overwonnen: niet iedereen zag een regering met ‘de rooien’zitten. Vooruitziend klassenbelang van moderne ondernemers won het van bekrompen anti-links vooroordeel.

Zo kwam de weg vrij voor het kabinet-Den Uyl: een regering die dus bedoeld was om de vakbeweging via bevriende politici tot meegaandheid te bewegen in een richting die via de rechtse confrontatiepolitiek niet te bereiken bleek. De opzet werkte. Waar in 1973 felle stakingen in de metaalindustrie plaats vonden en de stakingscijfers hoog waren, daar zakte de ‘arbeidsonrust’ in 1975 naar een dieptepunt. De ondernemers hadden arbeidsrust, de vakbond predikte ‘geduld’ naar hun leden. Hun socialistische kameraden zaten nu immers in de regering?

Maar er zaten niet alleen socialistische kameraden in de regering. De christelijke partijen, waaronder de KVP, waren er ook nog. Zij bewaakten het ondernemersbelang, trapten op de rem als de PvdA en de PPR die mee mocht doen teveel naar leden en actiegroepen luisterden en de belangen en verlangens van ondernemend en rechts Nederland voor de voeten liepen. Zo had de KVP een uiterst belangrijke ministerspost in handen, die van Economische Zaken. En wie troffen we daar aan? Jawel, onze jonge ondernemende econoom, Ruud Lubbers. Hij maakte, samen met Justitie-minister Van Agt (KVP) maar ook met minister van Financiën Duisenberg (PvdA), deel uit van de pro-ondernemende rem op al te veel progressiviteit in het kabinetsbeleid.

Vanaf 1975 werd ‘ombuigingen’ – het afremmen van de groei van overheidsuitgaven, en daarmee een voorbode van rechtstreeks bezuinigingsbeleid – officieel beleidsdoel. Op sociaal-cultureel terrein was het kabinet vrij progressief. Op essentiële economische punten was dat veel minder het geval en werden lange-termijnbelangen van de kapitalistenklasse redelijk goed bewaakt. Druk om tot werkelijke verschuiving van macht en rijkdom in de richting van arbeiders en anderen aan de onderkant te komen, ontmoetten al binnen het kabinet een via Duisenberg, van Agt en ook Lubbers naar voren gebracht veto. Het kabinet sprong uiteindelijk omdat zelfs de bescheiden maatschappijverandering die via de PvdA in het kabinet doorklonk, door rechts binnen dat kabinet dus niet getolereerd werd. Bij ‘rechts binnen het kabinet’ hoorde dus ook Ruud Lubbers. Het kabinet had de vakbondsmacht beheersbaar weten te houden, tot groot voordeel van de ondernemers. Maar onder druk van economische crisis begon in die kringen het verlangen om verder naar rechts te gaan, te groeien.

De VVD, maar ook rechtervleugels binnen het CDA dat zich inmiddels aan het vormen was, gaven aan die verlangens uiting. In de verkiezingen van 1977 bleken VVD en CDA-in-wording nét genoeg zetels te halen voor een meerderheid. Maar de PvdA was wel de grootste partij geworden in die verkiezingen. Een ellenlange formatie waarbij de PvdA haar hand overspeelde en de rechtse rancune totaal onderschatten, leidde uiteindelijk tot een kabinet van CDA en VVD, onder KVP-er Van Agt. De premier zette een rechtse toon, en praatte over een ‘Ethisch Reveil’, minister van binnenlandse zaken Wiegel (VVD) profileerde zich als orde-en-gezag-bewindsman, het kabinet lanceerde een bezuinigingsprogramma, ‘Bestek ’81’.

Maar het moest balanceren met een zeer krappe meerderheid in de Tweede Kamer. En niet iedereen in het CDA was blij met de coalitie met de VVD: een linkervleugel was liever doorgegaan met de PvdA en steunde Van Agt maar half. Een zeer behendig fractievoorzitter moest de CDA-fractie tot steun voor hetn kabinet bewegen en tegelijk genoeg concessies vanuit dat kabinet in de wacht slepen om progressieve dissidenten in de fractie binnenbord te houden. Die behendige fractievoorzitter heette vanaf 1978 – nadat de relatief progressieve ARP-er Aantjes die het baantje eerst had, ten val was gebracht via een verzwegen oorlogsverleden dat rechtse CDA-ers wel erg handig uitkwam – de ons inmiddels bekende Ruud Lubbers. Hij slaagde in zijn taak om de fractie achter het kabinet te houden. Maar het kabinet moest daarvoor wel de scherpe kantjes van het rechtse beleid afhalen. Het kabinet- van Agt predikte dan ook hard bezuinigingsbeleid, maar wist nauwelijks frontale bezuinigingen door te drukken. Het kabinet is vooral van betekenis omdat het de progressieve stemming in politiek Den Haag in een openlijk rechtse stemming veranderde, iets dat doorklonk in de hele maatschappij. Het bracht weinig rechts beleid tot stand, maar maakte wel de geesten rijp voor de hard rechtse wind die intussen opstak. Terwijl Lubbers met moeite de vrede in de CDA-fractie bewaarde, slepen ondernemers hun messen voor confrontaties met de arbeidersbeweging die er aan kwamen.

In zijn inzet om de fractie achter het kabinet te houden en van het kabinet concessies af te troggelen, kwam Lubbers’ talent tot willige taal en behendige formuleringen goed van pas. Hij bleek een virtuoos in het smeden van onbegrijpelijke, maar kennelijk voor deelnemers wel werkbare, compromissen. Rechts ergerde zich: van al hun reactionaire bezuinigingsplannen kwam weinig terecht, en KVP-minister van Financiën Andriessen hield het daarom voor gezien. Wat rechts over het hoofd zag was dat het zeer de vraag was of er voor een hardrechtse aanpak wel voldoende draagvlak bestond binnen het CDA. Had Lubbers bijvoorbeeld Andriessen zijn zin gegeven, dan was het kabinet mogelijk gesprongen op progressief verzet binnen de CDA-fractie. En of na nieuwe verkiezingen het kabinet dan haar uiterst krappe meerderheid overeind had gehouden was de vraag. Of de progressieve ‘dissidenten’ binnen het CDA met een voortzetting van zo’n coalitie akkoord waren gegaan trouwens ook. De koers van Lubbers – het rechtse beleid verwateren om het kabinet overeind en het CDA bijeen te houden – was op korte termijn kostbaar. Van bezuinigingen kwam weinig terecht, de staatsschuld steeg snel. De koers was echter niet irrationeel, uit ondernemers-oogpunt bezien. Het kwam neer op geld uitgeven om daarmee tijd en draagvlak te winnen.

In 1981, tijdens een snel verscherpende recessie, was het weer verkiezingstijd. De uitkomst ervan vergde tovenaarskunsten in de kabinetsformatie. Die leverde een regering op van CDA, PvdA en D66. Premier: Van Agt. Vice-premier: PvdA-leider Den Uyl. Die twee waren binnen het kabinet Den Uyl al rivalen die elkaar graag een spaak in het wiel staken. De jaren erop stond Den Uyl als boze oppositieleider in de Tweede Kamer tegenover een behendige en ongenaakbare Van Agt als premier, hetgeen ook geen recept was voor amicale verhoudingen. Die twee in één kabinet neerzetten was zoiets als Donald Trump vice-president laten worden onder president Hillary Clinton. Het begrip ‘vechtkabinet’ was zeer toepasselijk voor de constructie. Vechten deed het kabinet.

Strijdpunt bleek het bezuinigingsbeleid. Dát er bezuinigd ‘moest’ worden, erkende ook de PvdA, de partij die verlangens vanuit de arbeidersbeweging uiteindelijk altijd ondergeschikt maakt aan wat als ‘het landsbelang’ verpakt wordt. Dat kwam en komt neer op het belang van de BV Nederland, van de ondernemersklasse,. Maar bezuinigingen – hoezeer de PvdA ze ook accepteert – raken veelal juist de mensen van wie diezelfde PvdA in verkiezingstijd het moet hebben. Toen vroeg in 1982 het kabinet probeerde te bezuinigen op de Ziektewet-uitkeringen, was de vakbeweging – een pro-PvdA-bolwerk – woedend. Fel straatprotest volgde. De minister die verantwoordelijk was voor de maatregel was PvdA-minister van sociale zaken en vicepremier Den Uyl. Al snel bezweek het kabinet vanwege een PvdA wiens draagvlak onder bezuinigingsdruk instortte. Bij gemeenteraadsverkiezingen leed die PvdA een dramatische nederlaag. Ook toen leek de ondergang van de partij aanstaande. Ook toen al bleek echter die verwachting voorbarig.

Het kabinet strompelde nog eventjes verder zonder PvdA. Later in 1982 kwamen er nieuwe verkiezingen. De PvdA herwon wat terrein nadat het zich tegen het beleid probeerde af te zeten waar het eerder in mee probeerde te gaan. Maar het intussen tot stand gekomen CDA kreeg samen met de VVD een meerderheid. Die twee partijejn stuurden aan op een coalitie. Omdat het CDA de grootste was, leverde zij de premier. Van Agt was echter niet meer beschikbaar, want die trok zich tasmelijk onverwachts terug uit de landelijke politiek. De nieuwe leider was Ruud Lubbers, die met een premierschap als het ware beloond werd voor zijn harde werk als fractievoorzitter van het CDA.

Dat nieuwe kabinet zette in hoog tempo de stappen waar het kabenet-Van Agt de geesten al rijp had gemaakt. Het zette die stappen onder extra druk van een snel ernstiger wordende recessie, die elke maand 10.000 mensen de werkloosheid in duwde. Het kabinet kwam met een vroege versie van wat later neoliberalisme is gaan heten. Meer marktwerking, privatisering, en vooral snoeiharde bezuinigingen. Dit werd gebracht met de inmiddels bekende verwijzingen naar een ‘terugtredende overheid’, de ‘eigen verantwoordelijkheid van de burger’ en dergelijke. Expliciet doel was om financieringstekort en staatsschuld terug te brengen. Impliciet doel was om ondernemers meer ruimte te geven om winst te maken, de vakbeweging terug te dringen, en tot ‘loonmatiging’te bewegen.

Dit kabinet voer vrij openlijk een rechtse vlag, en daaronder zat geen modderschuit maar een oorlogsschip. Wat van Agt nauwelijks lukte, daar kwam Lubbers nu mee weg. Drie procent verlaging van uitkeringen en van ambtenarensalarissen in 1983 was duidelijke taal. Dit kabinet beet door, trotseerde boze en stakende ambtenarenvakbonden en een furieuze maar vrij machteloze parlementaire oppositie. PvdA-er Marcel van Dam schamperde bloemrijk ‘zo komt Jan Splinter door de Winter’, hij kon klagen hoe de premier de mensen ‘belubberde’. De bezuinigingstanks denderden door. Het was bovendien alsof ministers er gewoon plezier in hadden. Minister van Financiën Onno Ruding bijvoorbeeld: hij werd al gauw symbool van hardvochtigheid en genoot klaarblijkelijk van het imago. Dan was er ook nog Elco Brinkman, de minister van Cultuur, die bij linkse mensen en in de wereld van kunst en cultuur een soortgelijke afkeer opriep als een latere staatssecretaris van Cultuur, een zekere Halbe Zijlstra, Putin in zijn datsja hebbe zijn ziel. Net als Rutte I was Lubbers I (1982-1986) een kabinet van rechtse hobbies.

Lubbers opereerde als effectief aanvoerder van precies dat kabinet. Bij alle lofprijzingen die de man na zijn dood kreeg, horen we onder ogen te zien hoe schadelijk hardvochtig en kwaadaardig de politiek was die met zijn naam is verbonden. In 1986 wist het CDA wederom verkiezingen te winnen en kwam Lubbers II tot stand. Dat bezweek in 1989, waarna het CDA weer eens met de PvdA ging refgeren. Premier werd wederom Lubbers, de vicepremier en minister van financiën was PvdA-er Wim Kok. Ook dit werd een bezuinigingskabinet, nu met PvdA-medeplichtigheid. In 1990 ging het mes in de WAO, de sociale verzekering wegens arbeidsongeschiktheid. In 1993 waren bijstandsjongeren en studenten aan de beurt. Grootschalig, soms fel protest, legde het af tegen een vastberaden kabinet dat bezuinigen in haar vingers had en daarmee het vuile werk bleef doen om de belangen van ondernemend Nederland te dienen over de ruggen van grote aantallen kwetsbare mensen. Het tijdvak-Lubbers was tevens het tijdvak van een uitgeholde verzorgingsstaat – natuurlijk ‘om de verzorgingsstaat te redden’- en een uitgeklede sociale zekerheid – natuurlijk om ‘de sociale zekerheid te redden voor wie het écht nodig hebben’. Die hele riedel waar ook Rutte zo goed in is, werd al in Lubbers’ tijd en mede door diens toedoen gemeengoed.

Maar het kabinet bereikte nog meer. Het wist de vakbeweging te bewegen tot een sociaal akkoord met werkgevers en regering. De vakbeweging beloofde daarin ‘loonmatiging hetgeen precies was wat ondernemers graag willen. In ruil daarvoor zouden er kleine stappen richting arbeidstijdverkorting komen en dergelijke. Via dit akkoord werd de vakbondstop feitelijk medeplichtig gemaakt aan kapitalistisch winstbejag. Want ‘gematigde’ lonen zijn een vorm waarin ondernemers hun kosten laag houden, terwijl de opbrengsten via productiviteitssteijging blijft groeien. Drie keer raden wat dat met winstgevendheid kan doen.

Intussen had zich op een ander front een grootschalig socaal-politiek conflict afgespeeld waarin Lubbers ook een sleutelrol speelde. Ik doel op de strijd rond de plaatsing van nucleaire kruisraketten in Nederland. De NAVO had daartoe in 1979 besloten, iets dat verkocht werd als antwoord op Russische atoomraketten. Veel mensen vonden die plaatsing onzinnig en gevaarlijk. Ik was en ben daar één van. Onzinnig: de NAVO had al meer dan genoeg schiettuig om Rusland veelvoudig aan gruzelementen te knallen. Gevaarlijk: wapens worden vroeg of laat gebruikt, en het tegen elkaar opbieden met atoomwapens door grote mogendheiden, kon de wereld in een ongekende catastrofe storten.

Veel mensen zagen het afzien van kruisraketten, en het schrappen van atoomwapens in Nederland sowieso, als een stap naar verdergaande ontwapening. Vanaf 1979 kwam er een brede vredesbeweging op, aanvankelijk goeddeels aangevoerd door de Communistische Partij Nederland, later veelal onder progressief-c christelijke invloed. Het Interkerkelijkk vredesberaad IKV deed steeds luider van zich spreken met haar leus: ‘kernwapens de wereld uitk, om te beginnen uit Nederland’. Linksere groepen en stromingen gooiden zich in de strijd. Al snel volgde de ene actie op de andere Gigantische, prachtige demonstraties in Amsterdam in 1981 en Den Haag in 1983 vormden pieken in de strijd. Aan beide demonstraties nam ik deel, evenals aan diverse andere acties tegen die raketten. Protesteren tegen de kruisraketten was voor mij een soort vuurdoop als gezagsondermijnend elementje.

Wat had Lubbers met dit alles te maken? Welnu, het protest raakte ook zijn CDA. Terwijl de regering in principe akkoord was gegaan met het NAVO-besluit van 1979, waren er CDA-Kamerleden die plaatsing in Nederland niet zagen zitten Ook de PvdA, die in 1981-82 even meeregeerde, was niet principieel tegen maar in de achterban van die partij was de afwijzing van kruisraketten aanzienlijk. Toen de PvdA in 982 weer in de oppositie verdween, maakte ze afwijzing van kruisraketten tot vast strijdpunt en nam, vaak met nogal middelmatige geloofwaardigheid, deel aan het protest. Het was meer de profileringsdrang van die partij dan een principiéle afkeer van bewapeninbg die deze partij dreef, al zal dat voor individuele leden anders hebben gelegen.

Het kabinet-Lubbers wilde enerzijds als loyaal NAVO-partner richting plaatsing koersen. Anderzijds moest het rekening houden met dissidente CDA-Kamerleden die juist qua kruisraketten protest aantekenden. Lubbers moest dus plaatsing dichterbij brengen en tegelijk aannemelijk maken dat plaatsing misschien vermeden kon worden via onderhandelingen met de Sovjet-Un ie. Dat leek aanvankelijk hoogst onaannemelijk: de vroege jaren tachtig waren jaren van verhevigde Koude Oorlog, met de felle anticommunist Ronald Reagan in het Wiitte Huis, en de zwaar geüniformeerde apparatsjik Leonid Breznjev in het Kremlin. Maar Lubbers deed zijn best, lanceerde de ene na de andere wazig geformuleerde uitstelvariant van plaatsing-tenzij, plaatsing-mits, nog-geen-plaatsing-totdat. Er schijnt zelfs overwogen te zijn die dingen in België te plaatsen, zodanig dat ze op het laatste moment, ‘als het nodig was’ alsnog in Nederland gestationeerd konden worden. Ik geloof dat dat de ‘invlieg-variant’ werd genoemd. Alles om de anti-nucleaire kool en de NAVO-geit te sparen.

Lubbers was uiteindelijk een loyaal NAVO-politicus die plaatsing accepteerde. Maar hij wilde noch de eenheid van CDA en kabinet op het spel zetten, noch een scherpere confrontatie met een tegen de kruisraketten gemobiliseerde en actieve publieke opinie riskeren. Koersen naar plaatsing, in de hoop dat het uiteindelijk niet nodig bleek, dat was de politiek van Lubbers. Uiteindelijk kwam het plaatsingsbesluit er, stap voor stap in wat als script voor een soms razend spannende politieke thriller kan dienen, ondanks groot protest. Maar de plaaatsing zelf ging toch niet door, omdat inmiddels onderhandelingen tussen de VS en de Sovjetunie tot resultaat aan het leiden waren. In die Sovjetunie regeerde inmiddels Breznjev niet meer, maar Gorbatsjov. Dat was een man die snapte dat modernisering van de Russische economie vereiste dat de last van overbewapening verminderd werd, en dus tot aanzienlijke concessies bereid bleek. Er kwamen dus uiteindelijk geen kruisraketten op de daartoe inmiddels wel in gereedheid gebrachte luchtmachtbasis Woensdrecht.

Verdient de briljante Lubbers voor dat resultaat krediet? Dat zou je denken als je terugblikken – van de laatste tijd maar ook al eerder – leest. De conclusie behoeft minstens een hele stevige kanttekening. Ja, Lubbers bereikte via uitstel uiteindelijk afstel van plaatsing. Maar daarbij speelde een zeer belangrijke factor een hoofdrol: de druk vanuit de maatschappij, de vredesbeweging, de aanhoudende protesten. Die druk betekende dat tot diep in het CDA aarzeling over plaatsing bestond. Juist die aarzeling zorgde ervoor dat Lubbers voorzichtig moest opereren om zijn kabinet bij elkaar te houden. Zijn politieke behendigheid was nodig, omdat die druk te groot was om straffeloos te negeren. Lubbers wilde perse zijn kabinet bijeenhouden, met of zonder die raketten, omdat hij een ‘karwei’ had om af te maken: bezuinigen, de maatschappij in rechtse, ondernemingsvriendelijke richting te herstructureren. Dat hij vooral in dat laatste redelijk succesvol is gebleken, dat is zijn belangrijkste en hoogst onaangename erfenis.

Ik heb , naast mijn geheugen, onderstaande teksten benut:

Jan Tromp, “Ruud Lubbers (1939-2018): medevormgever van het Nederland zoals wij dat nu kennen”, Volkskrant, 14 februari 2018, https://www.volkskrant.nl/politiek/ruud-lubbers-1939-2018-gaf-vorm-aan-het-nederland-van-na-de-jaren-tachtig~a4569658/

“Hij was geen bezige bij, hij was een hele bijenkorf: persoonlijke herinneringen aan Ruud Lubbers”, Volkskrant, 14 februari 2018, https://www.volkskrant.nl/politiek/-hij-was-geen-bezige-bij-hij-was-een-hele-bijenkorf-persoonlijke-herinneringen-aan-ruud-lubbers~a4569670/

Jaco Alders & Max van Weezel, “Lubbers stille strijd voor ontwapening”, Vrij Nederland, 19 oktober 2013, https://www.vn.nl/lubbers-stille-strijd-voor-ontwapening/

Opmerking, 20 februari, 23.14 uur: bijgeschaafd qua taal en dergelijke.

Peter Storm

Comments are closed.