Leve het strijkkwartet!

Wat werden we afgelopen middag verwend door de klassieke zender Radio Vier van de restanten van publieke omroep. Eerst een middagconcert met Kristian Bezuidenhout op de piano én als dirigent voor het Concertgebouworkest: werk van Carl Philip Emanuel Bach. Dé Bach in de tijd dat hij nog leefde, zo vertelde Bezuidenhout: vrijwel niemand had het toen over vader Johann Sebastian. Hele levendige, enthousiaste en originele muziek, in de schaduw van de Barok maar al herkenbaar klassiek van vorm. Daarna een symfonie van Mozart, gevolgd door één van zijn pianoconcerten. Plus toegiftje. Het bleek slechts voorspel want daarna kwam niet alleen mijn favoriete programma, Discotabel waar een panel van recensenten muziek bespreekt en vergelijkt. Het ging ook nog eens over één van mijn favoriete genres: het strijkkwartet. Dit naar aanleiding van de Strijkkwartet Biënnale, een muziekfestival gewijd aan deze vorm van prachtigheid.

Strijkkwartetten? Jazeker. Iemand met een viool op de schouder. Nog iemand met een viool op de schouder. Iemand met een altviool op de schouder, een iets groter instrument, iets lager van klank. En iemand met een cello, nog lager van klank en te groot voor op de schouder, staand geplaatst tussen de benen. Strijkstok in de hand, vingers aan de snaren en spelen maar. Wat is daar nu zo bijzonder aan? Rare vraag. Bas, gitaar, drums en zang, wat is daar nu zo bijzonder aan? Dat vraagt toch ook niemand?

De vergelijking tussen band en kwartet maak ik niet voor niets. De de magie van een band en die van een strijkkwartet zijn nauw verwant. Het zijn kleine ensembles, waar alles aankomt op samenspel op de strekkende, om niet te zeggen strijkende, millimeter. Elk instrument (de zangstem is ook een instrument) een eigen rol. En schijn is hier bedrieglijk. Je denkt misschien dat de eerste viool in een strijkkwartet de hoofdrol heeft. Soms denkt de eerste violist dat wellicht zelf ook. Maar het is een vergissing. Haal de harmonie die de tweede viool aanbrengt maar eens weg, de tegenstem van de altviool en de ritmiek van de cello. Je houdt niets wezenlijks over. Laat die eerste violist soleren, maar let tegelijk op hoe de andere drie samen een ritmisch muurtje van geluid, akkoorden en patronen er tegenover plaatsen. En opeens is de eerste violist deel van het drietal, terwijl de cello of de altviool opeens de hoofdmelodie heeft overgenomen of een tegenmelodie heeft gelanceerd.

Alle vier zijn onmisbaar. Net als in een rockband. Mick Jagger, als zanger de belangrijkste van de Rolling Stones? Kun je je die band voorstellen zonder de onverstoorbare Charlie Watts achter zijn drumstel? De Beatles zonder Ringo Star? En Paul McCartney mag dan samen met John Lennon als liedjesschrijver de plek van een Franz Schubert van de twintigste eeuw benaderen, hij was toch vooral de zeer ondergewaardeerde basgitarist van de Beatles, wiens spel de boel vooruit stuwt. Drum en bas zijn het fundament, waarop gitaar en zang hun muziekgebouw verder neerzetten. Zonder architect trouwens, op basis van bouwtekeningen zie ze vaak zelf schrijven: de liedjes, de composities.

Ook dat zien we bij strijkkwartetten ook: muzikale architectuur in zelfbestuur. Weliswaar meestal bestaande composities, en niet zozeer zelfgeschreven stukken zoals bij de meeste rockbands. Maar wat ze er van maken, dat maken de vier strijkkwartet-musici dus zelf uit. Ga er maar van uit dat daar niet alleen repetities, maar ook diepe discussies, aan vooraf zijn gegaan. Welk tempo nemen we? Wat vinden jullie ervan om hier íétsje te vertragen, en dan weer te versnellen? Die altviool, mag die ietsje meer nadruk? Willen we dat de eerste viool nadrukkelijk vibrato – dat gebibber in de toon, zal ik maar zeggen… – hanteert, of juist niet? Improvisatie is niet het eerste waar je aan denkt bij strijkkwartettenmuziek. Samenspel, subtiliteit waar het allemaal héél nauw kijkt, daar zit de clou.

Samenspel zonder chef is het ook nog eens, en dat maakt het extra mooi. Zoiets is in de klassieke muziek verder helemaal niet de regel. Als je het Orlando Kwartet stukken van Mozart hoort spelen, dan krijg je de visie van de musici van dat kwartet op de muziek van Mozart. Als je echter het Concertgebouworkest onder dirigent Bernard Haiting een symfonie van Mahler hoort spelen – óók iets geweldigs overigens – dan hoor je de Mahler-interpretatie van Haiting, niet van de vele tientallen musici die voornamelijk bezig zijn met de visie van Haiting te helpen verwezenlijken. Dat doen ze natuurlijk niet als robots, en een goed dirigent luistert heel goed naar de inbreng van de orkestmusici. Maar het hele gebeuren kent een hiërarchie waarin musici zich onderschikken. De musici zijn in zekere zin personeel, een rol die strijdig is met vrijheid en creativiteit.

Orkestpraktijk is geen zelfbesturende muziekpraktijk. Strijkkwartetten zijn dat in essentie wel, ofschoon doorgaans in een context waarin management en commercie hun schadelijke werk doen. Zowel die context als het in essentie zelfbesturend karakter zien we ook bij rockbands. Kwartetten en bands, het zijn feitelijk muzikale varianten van wat anarchisten gewend zijn om affiniteitsgroepen te noemen. En bij een goed kwartet hoor je dat ook. De onderlinge afstemming van het samenspel verraadt al veel. Het speelplezier verraadt mogelijk nog wat meer.

Wat ik er zelf nog extra prettig vindt: er is geen dominante solistische partij met de Hoofdrol Egotrippen. Zo’n solo-rol is in rockmuziek al gauw een misser. De band dreunt door terwijl de sologitarist elf minuten lang een audio-vertoning maakt op het thema ‘kijk mij een snelle nootjes en spectaculaire loopjes aan elkaar plakken!’ Het is ontegenzeglijk knap. Maar raakt het de ziel? De mijne te vaak niet.

Bij klassieke muziek heb je dat verschijnsel ook. Vioolconcerten bijvoorbeeld: een violist die soleert, met een orkest als begeleiding. Dat soleren is dan tenminste nog bedacht door een componist, zodat het ego van de solist niet helemaal de vrije loop krijgt. Maar de componist schrijft veelal in het bewustzijn dat de solist wel een hoofdrol in het concept heeft. Ik denk dat mijn immense waardering voor Franz Schubert ergens iets te maken heeft voor het feit dat de man een lading strijkkwartetten schreef plus een verbijsterend strijkkwintet als uitsmijter, een hele reeks solostukken voor piano, waarbij lyriek nooit ontaardt in gezwijmel, liederen waarbij piano en zangstem een vrijwel gelijkwaardige rol spelen, plus een keurige rij van mooie symfonieën, maar dat hij niet bekend werd met pianoconcerten, vioolconcerten en soortgelijke excuses voor kijk-mij-eens-egotripperij. Schubert is als persoon immens aanwezig in zijn muziek. Maar ego heeft daar, afgaand op wat je te horen krijgt, verrukkelijk weinig mee te maken. De solist vertrouwt op eigen kracht en staat boven niemand, of er is evenwichtig samenspel tussen mensen. Geen ruimte voor egotripperij van een eenling met andere musici als leveranciers van welluidende achtergrondruis.

Naarmate de negentiende eeuw vorderde, werden vooral vioolconcerten meer toegeschreven op spectaculaire virtuositeit, met zelfs een in gebouwd onderdeel waar de violist zich kan uitleven, de zogeheten cadans. Het vioolconcert van Beethoven is tot daar aan toe, en bevat erg mooie melodieeën. De vioolconcerten van Brahms en Dvorak haal ik altijd door elkaar: welluidend, maar het gefreak neemt hand over hand toe. En dan Max Bruch met zijn eerste vioolconcert. Er komt geen eind aan, het zaagt en riedelt maar door, drie kwartier lang. Knap werk allemaal, maar over the top, en dat is voor een flink deel de egotrip-rol die de violist in dit concept kreeg toebedeeld. Hij schijnt erna nóg twee van zulke stukken gemaakt te hebben; of dat net zulke draken zijn, weet ik niet. Om één of andere reden hoor je dat eerste concert van Bruch om de haverklap, vast een extra reden waarom het gaat tegenstaan. De andere twee hoor je zo goed als nooit. Sibelius schreef wat later een vioolconcert waar aan dit gefreak weer paal en perk is gezet, en dat leidt dan prompt tot muziek die me wèl bijblijft. Dus de trend was niet louter bergafwaarts.

Voor pianoconcerten geldt iets dergelijks. Die van Mozart zijn subtiel, die van Beethoven prachtig meeslepend. De afstand tussen orkest en pianist is nog niet heel groot, het orkest is nog niet te ver naar de zijlijn geduwd maar een goeddeels gelijkwaardige partij. Beethovens pianoconcerten zijn indrukwekkend, niet vanwege virtuoze pianosolo’s maar vanwege de aanstekelijke melodieën en de pure energie die de muziek kenmerkt. Maar het beroemde pianoconcert van Edward Grieg? Te veel spektakel, effectbejag, waardoor wel degelijk mooie melodieën te veel bedolven raken. Geen wonder dat Radio Veronica er een aankondigingstune voor haar hitprogrammering in de jaren zeventig van de twintigste eeuw uit wist te destilleren. Grieg schreef trouwens ook wel echt mooie muziek. Een strijkkwartet, bijvoorbeeld.

Tegenover al dit solo-geweld in de schijnwerper snak ik al gauw naar het kleinere werk. Minder ego, alstublieft, zodat de muziek rechtstreeks kan spreken tot het hart. Dat is precies wat het strijkkwartet als weinig andere genres doet. Er is misschien één ding nog iets mooier dan een strijkkwartet. Een strijkkwintet! Vijf musici in plaats van vier, met een cello, of een extra altviool. Zes kan trouwens ook: een strijkseptet, zelfde idee, iets voller geluid, bij goed gebruik ook indrukwekkend. Maar het in zekere zin zijn variaties op die wonderbaarlijke oervorm, het strijkkwartet. Zullen we maar eens gaan luisteren?

Luistertips:

Juan Christósomo Arriaga, Strijkkwartet no. 1, uitgevoerd door het Guarneri Kwartet (1),

Mooie binnenkomer voor wie het genre ‘strijkkwartet’ nog niet kent. Het heeft het allemaal: het subtiele samenspel, de wisselende rollen waarbij ook cello en altviool nadrukkelijk aan bod komen, charmante melodieën. De componist werd wel de Spaanse Mozart genoemd, en je kunt horen waarom. Hint: hij schreef er na dit eerste strijkkwartet nog een paar.

Luigi Boccherini, ‘Musica Notturna delle strada Madrid’ (Opus 30, nr. 56). Uitvoering Le Concert des Nations, onder leiding van Jordy Savall. (2)

Andere koek. Vreemde, in essentie heel eenvoudige muziek,  ongrijpbaar mooi, en het slotdeeldoet alles bewegen. Stadsgeluiden en volksmuziek van de straten van Madrid, omgewerkt tot een strijkkwintet (met extra cello). Filmmuziek zonder film, als het ware. Boccherini, van Italiaanse afkomst, was componist aan het Spaanse hof. Curieus: deze uitvoering kent dus wèl een dirigent, in strijd met de gangbare strijkkwartettenpraktijk die ik hierboven uiteenzette. Maar het is Savall, een man met een groot hart, en dan is het sowieso minder erg. Veel van de muziek zou trouwens eerder plukkwintet dan strijkkwintet kunnen heten: er wordt veelvuldig pizzicato gehanteerd, een techniek waarbij de vinger aan de snaar plukt in plaats van de strijkstok die de snaar aanstrijkt. Alsof je gitaar speelt op een viool. Waarschuwing: het slotstuk zet zich in je geheugen vast. Over vijf jaar zit de melodie in je hoofd en weet je je geen raad omdat je wilt weten waar het ook alweer vandaan komt.

Joseph Haydn, Strijkkwartet Opus 756, no. 2, ‘Kwintenkwartet’, uitvoering door het Cleveland Kwartet (3).

Nee, dit is niet genoemd naar een zekere Kwinten. De titel verwijst naar de kwint, oftewel vijf stappen op de toonladder verschil: de sprong van de c naar de g is een kwint. Haydn gaat door voor de grondlegger van het strijkkwartet. Hij schreef er 68 in totaal, de één met nog wat meer elan dan de ander. Strakke regelmaat in de vorm, inventiviteit in de inhoud. Bij hem krijgt het strijkkwartet ook haar later gangbare vorm. Vier delen: een snel openingsdeel, gevolgd door een langzaam deel. Dan weer wat versnelling met veelal een deel in dansbare driekwartsmaat of iets dergelijks, gevolgd door weer een snel slotdeel.

Ludwig van Beethoven, Strijkkwartet no 4, opus 18, uitvoering van het Alban Berg Kwartet (4)

Beethoven! Nog een vrij vroeg werk, waar nog veel van de regelmaat van Haydn over is. Maar regelmaat of niet, dat eerste deel verplettert alles wat in de weg staat, er klinkt een bijna tastbare woede, er worden tikken uitgedeeld, terwijl tegelijk de melodie glorieus zingt. De andere delen zijn iets minder heftig, al gaat het tempo in het slotdeel weer goed de hoogte in. Dit krijg je als je vuur en vlam vervat in vaste vorm, voor zover dat nog lukt.

Ludwig van Beethoven, Strijkkwartet no. 16, opus 1356, uitgevoerd door het Borodin Kwartet (5).

Weer Beethoven! Maar wat is er gebeurd? Grilligheid alom, van de vormvastheid uit vroeger jaren is weinig over. Toonsoorten verspringen, de ritmiek vliegt alle kanten op, en net als je denkt dat je kunt mee neurieën gebeurt er weer iets waardoor de vaste grond onder je oren verdwijnt. Het is zelfs zo erg dat, waar je uiteindelijk gaat verwachten dat bijvoorbeeld de toonsoort verspring, de boel dan opeens weer wel volgens een wat traditioneler patroon verloopt. En dan heb ik het nog maar over het eerste deel. De componist heeft kennelijk mededogen met ons, want hij beperkte zicht tot drie delen in plaats van vier, zodat ons brein niet helemaal overprikkeld raakt. Het tweede deel geeft ook geen kalmte en walst verontrustend onze oren in. Chaos, en tegelijk doordachte precisie. Bedenk wel: de componist was stokdoof toen hij dit schreef. Maar hij weet precies wat hij doet.

We krijgen een abrupt eind. Van dat deel althans, want het derde deel komt dan nog. Heel kalme, welluidende majeur-akkoorden klinken in een statig traag tempo. Bedrieglijke kalmte. De akkoorden gaan de hoogte in, nog steeds in vrij gangbare harmonische patronen, heel anders dan in vooral het eerste deel. Toch is er spanning. Beethoven is nog niet klaar. De akkoorden dalen weer qua toonhoogte. Toonsoort verschuiving, en weer omhoog, met mineurakkoorden ertussen. De zaak lijkt af te stevenen op een rustig, bijna berustend slot. Er valt een korte pauze. Grillige patronen, een schrijnend, hoog akkoord, en nog een paar, afwisselend laag en hoog. Dan: de ontlading! Een ritmisch, opgewekt dansend melodiefiguurtje, gevolgd door een elegant melodietje dat tegen het dansende figuurtje in huppelt. Hoe dat verder gaat, ga ik niet in woorden vangen. Daar is het veel te ongrijpbaar voor. En alles weerklinkt op één of andere manier alsof zich het in een leegte afspeelt. Heel onwezenlijk, en op één of andere manier heel aangrijpend.

Franz Schubert, Strijkkwintet in C, Deutsch nummer 956

Ik kan zo nog uren doorgaan. Het eerste strijkkwartet van Tsjaikovsky, met dat terecht befaamde Moderato Cantabile, zoals het tweede deel ervan heet. Alexander Borodin, zijn eerste strijkkwartet. Johannes Brahms, strijkkwartetten en strijkkwintetten. O ja, en Mozart, maar dat is bijna een open deur. Hij schreef er 25.

 

Wie mij kent, ziet aan komen dat ik afsluit met Franz Schubert. Maar dat is dan ook alleen omdat Bob Dylan en Green Day (nog) geen strijkkwartetten hebben geschreven. Schubert maakte 15 strijkkwartetten. Heel mooi is nummer 14, Deutsch nummer 810 (1) ‘Der Tod und das Mädchen’ genaamd. Maar hij schreef vlak voor zijn dood ook nog een strijkkwintet, in C, Deutsch nummer 956 voor wie de cijfers bijhoudt. Dat leg ik eventjes uit, want dat vind ik leuk. Bij de meeste componisten wordt een opusnummer gehanteerd. Opus is gewoon ‘werk’, Opus 1 is dus het eerste werk  van de componist. Bij sommige componisten heeft een specialist of liefhebber een eigen indeling gemaakt. Dan zijn de werken vaak bekend onder het nummer in die indeling. Bij Schubert nam ene Deutsch dat indeelwerk voor de rekening, dus kennen we werken van Schubert onder hun D-nummer.

Dat strijkkwintet van Schubert  is een verbijsterend mooi stuk. en lang eerste deel met bitterzoete, subtiel geweefde melodieën. Tergend traag slepende harmonieën in deel twee, demonisch dondergeweld afgewisseld met verstilde passages in deel drie. Maar dan deel vier. Alles gaat dansen en bewegen. Manisch juichende melodieën, behendig omhoog gemoduleerd. Alles beweegt. Dan terug naar rustiger vaarwater, om vervolgens opnieuw uit te preken in een volgende ronde van bijna beklemmende extase. De wereld gaat meervoudig te gronde, op pijnlijk herboren te worden in klanken, keer op keer. De man was bijna dood toen hij dit schreef, en hoogstwaarschijnlijk realiseerde hij zich dat ook.

Het kijkt hier best nauw wat voor uitvoering je beluistert. Vooral dat slotdeel dient niet te braaf en te netjes te worden gespeeld. Lieftalligheid is hier de dood in de pot. Het risico dat er in de heftigheid een noot niet helemaal zuiver is, bestaat. Maar liever dat, dan dat de geest wordt getemd door keurigheid. Te snel is ook niet prettig, want dan is er geen ruimte voor precies die kleine vertragingen vlak voor een volgende explosie, Dan gaat de subtiliteit onder de explosies teloor. Een bedaard tempo, en onbedaarlijk elan. Dat kenmerkt de beste uitvoering van dit prachtstuk. Een paar opties:

Een live-opname uit 1961 van het Vègh Kwartet samen met de befaamde cellist Pablo Casals: met het slotdeel in een venijnig staccato met prachtig bibberende strijkers er tussendoor.

Het Alban Berg Kwartet met Heinrich Schiff op cello, in een studio-opname uit 1982 is mooi en nauwkeurig, maar in het slotdeel wel te netjes naar mijn sm aak.

Het Juilliard Kwartet, aangevuld met Sadao Harada op de cello doet het behoorlijk goed  in een live-opname Maar ze kiezen in het slotdeel wel een riskant hoog tempo, waardoor het iets gejaagd overkomt. Lekker manisch is het wel, en dat is wat mij betreft dus de bedoeling in deze geweldige muziek. En een groots slot.

 

Opmerking: voor de weetjes heb ik gebruik gemaakt van de diverse pagina’s over componisten en hun muziek die op Wikipedia te vinden zijn.

Noten:

1 Juan Christósomo Arriaga, Strijkkwartet no. 1, uitgevoerd door het Guarneri Kwartet, https://www.youtube.com/watch?v=C4TZZT7CfyM

2 Luigi Boccherini, ‘Musica Notturna delle strada Madrid’ (Opus 30, nr. 56). Uitvoering Le Concert des Nations, onder leiding van Jordy Savall.  https://www.youtube.com/watch?v=8dmWAve3Pvk

3 Joseph Haydn, Strijkkwartet Opus 756, no. 2, ‘Kwintenkwartet’, uitvoering door het Cleveland Kwartet. https://www.youtube.com/watch?v=8dmWAve3Pvk

4 Ludwig van Beethoven, Strijkkwartet no 4, opus 18, uitvoering van het Alban Berg Kwartet https://www.youtube.com/watch?v=DIoAESYR27w

5 Ludwig van Beethoven, Strijkkwartet no. 16, opus 1356, uitgevoerd door het Borodin Kwartet https://www.youtube.com/watch?v=laUMuPkm7Ow

6 Franz Schubert, Strijkkwintet in C, Vègh Kwartet samen met Pablo Casals, opname uit 1961, https://www.youtube.com/watch?v=DJ-vroCJvzo

7 Franz Schubert, Strijkkwintet in C, Alban Berg Kwartet met Heinrich Schiff, 1982, https://www.youtube.com/watch?v=r9BaFfNp9Es

8 Franz Schubert, Strtijkkwintet in C, Juilliard Kwartet, aangevuld met Sadao Harada op de cello, https://www.youtube.com/watch?v=VUrxdgl14sU

Peter Storm

One thought on “Leve het strijkkwartet!

Comments are closed.