De Democratische Partij als spons: partijpolitiek versus autonome strijd

maandag 8 juni 2015

De Democratische Partij als bruikbaar voertuig zien voor verandering in solidaire, egalitaire en vredelievende richting betekent: vast zitten aan een illusie. Gebeurtenissen door de jaren heen wijzen systematisch en tamelijk consistent de andere kant op. Het is niet de Democratische Partij die door linkse mensen effectief wordt gehanteerd, het werkt eerder andersom. Keer op keer op keer.

In de jaren zeventig van de vorige eeuw was dat niet onmiddellijk evident. In 1972 leek de partij leek handen gevallen te zijn van linksere, activistische groepen, met George McGovern als kandidaat die de Vietnamoorlog beloofde af te bouwen. Hij verloor van Nixon, die zelf vervolgens via het Watergate-hotel verloor van de Washington Post. Dat laten we verder rusten. Maar was de partij écht in linkse handen gevallen?

Socioloog Kroes schetst wat er feitelijk gebeurde [1]. “Wie zich de televisiebeelden voor ogen roept vam de Democratische Nationale Conventie die McGovern tot presidentskandidaat zou uitroepen, ziet nog eenmaal het panopticum van activismen uit de jaren zestig: de feministen, de studenten, de negers, en vooral: de jongeren. De Conventie en de Partij leken in hun handen. Wie dat dacht, verkeek zich. De uitkomst van de Conventie was inderdaad bepaald: McGovern kon op grond van de door hem gewonnen primaries de nominatie voor presidentskandidaat niet meer ontgaan. Maar op het moment van de overwinning – op het moment dat de vroege droom van de New Left de Democratische Partij naar zijn hand te zetten verwezenlijkt leek ontglipte McGovern de partij.”

Dat bleek: de krachten die op de achtergrond te partij aanstuurden, zakelijke belangengroepen, verbonden met traditionele vakbondsbestuurders, deden nauwelijks hun best voor McGovern. Hun houding kwam neer op: liever de nederlaag lijden tegen de behoudende Republikeinen – partijpolitiek rivalen, maar sociaal, economisch en qua buitenlandbeleid zo geestverwant – dan het land uitleveren aan de hippies, de commies en de peaceniks. Dat was de impliciete boodschap van grote delen van het Democratische establishment. Deze bonzen stelden loyaliteit aan het Amerikaanse establishment en de ondernemersklasse waar dat establishment de politieke vleugel van was kennelijk hoger dan het electorale belang van hun eigen partij. Aan klassenbewustzijn ontbrak het deze kringen niet.

De nederlaag werd aldus een middel om de partij in conservatieve zin te disciplineren. Links werd ermee te verstaan gegeven: jullie brengen de vooruitzichten in gevaar door zo bui8ten de mainstream te gaan. Democratische loyalisten kregen ermee te horen: probeer dit niet nogmaals, laat de partij niet weer in zulke radicale handen vallen. De les werd begrepen, nooit heeft links ook maar bij benadering zo ’n invloed binnen de partij weten te veroveren. Kwam het een beetje in de buurt, dan weerklonk al snel iets als: ‘herinner je je het debacle van McGovern niet?’

Ik wijd aan deze episode relatief veel woorden omdat het een zeer veelzeggende episode is. Er blijkt enerzijds uit dat de Democratische partij wendbaar is, flexibel, en een sterk absorberend vermogen heeft. Ze bood enige tijd tijdlang ruimte aan gematigd linkse geluiden en personen tot aan een kandidaat voor het presidentschap toe. Dat lijkt mijn stelling dat de partij voor linkse ambities onbruikbaar is, te ondergraven. Het verkiezingsdebacle waar het toe leidt, gecombineerd met de defaitistische houding van grote delen van het Democratisch establishment – liever Nixon dan links! – laat echter zien dat zelfs toen een geenszins links establishment beslissende touwtjes in handen bleef houden. De linkse overwinning binnen de Democratische partij bleek een Pyrrhusoverwinning.

En hoeveel was er niet aan voorafgegaan voor het zover was! De McGovern-campagneracht binnen de partijpolitiek tot uiting wat we zijn gaan kennen als ‘de jaren zestig’. Dat was een periode van ongekend heftige speciale protesten op tal van fronten. Ik doe een greep. Om te beginnen een steeds opstandiger burgerrechtenbeweging tegen apartheid an andere vormen van racisme, met sit-ins tegen rassenscheiding in cafetaria in 1960, tegen rassenscheiding in bussen in 1961, tegen rassenscheiding in tal van faciliteiten in Birmingham en andere steden in 1963, een campagne om zwarte kiezers te helpen zich als kiezers in te schrijven in Mississippi in 1964, een drietal grote protestmarsen in Selma in 1965  waarna president Johnson weinig anders meer kon dan zich achter burgerrechtenwetgeving te scharen. Rellen en stedelijke opstanden van zwarten tegen politiegeweld en armoede. Vandaag spreken we van Ferguson en Baltimore. In de jaren zestig sprak met van Watts, Newark, Detroit en zoveel andere steden waar de woede zich ontlaadde. Wat aanvankelijk een burgerrechtenbeweging heette werd, in een later stadium aangeduid als zwarte bevrijdingsbeweging, eentje die min of meer model kwam te staan voor zoveel andere bevrijdingsstrijd in die jaren.

Er was veel meer. Een vredesbeweging tegen atoomproeven in de vroege jaren zestig.Actie in solidariteit met de Cubaanse revolutie. Een opkomende vrouwenbeweging die patriarchale rolpatronen en verhoudingen aanviel, in de bredere maatschappij maar vooral ook binnen de sociale bewegingen waar aanvankelijk bot en openlijk macho-gedrag schering en inslag was. Transgenders, homoseksuele mannen, lesbische vrouwen die het op een junidag in 1969 zat waren om, zoals standaard was, door de politie uit de Stonewall-bar gehaald te worden voor bespottelijke aanhoudingen en controles, en terug begonnen te vechten: de Stonewall rellen  [2] , startsein voor wat al zeer snel Gay Liberation ging heten, en vervolgens GLBT-bevrijdingsstrijd werd: Gay, Lesbian, Bisexual, Transgender. Een opkomend verzet van Native Americans die in verdrag gegarandeerde maar keer op keer vertrapte rechten met hernieuwde kracht opeisten, bijvoorbeeld met een bezettingsactie op het als gevangenis in onbruik geraakte eiland Alcatraz in 1969.

Dan waren er studenten in actie. Studenten die op hun universiteit solidariteit met de strijd tegen racisme probeerden te ondersteunen, daarvoor geen ruimte kregen van repressieve universiteitsbestuurders en politie, en vervolgens voor hun menings- en organisatievrijheid onder meer een sit-in buiten en een grote bezetting in een universiteitsgebouw organiseerden: de Free Speech Movement  op de universiteit van Berkeley in 1964 [3]. Studenten die protesteerden tegen militaire research aan de universiteit en tegen het plan om op universiteitseigendom in het aanpalende, voornamelijk door zwarten bewoonde Harlem een sporthal te bouwen: de bezetting van de Columbia Universiteit in New York in 1968. En natuurlijk studenten die deelnamen aan de aanzwellende protesten tegen de Vietnamoorlog, aan demonstraties die bij herhaling tienduizenden, op sommige momenten honderdduizenden demonstranten trokken, aan straatgevechten, aan het verbranden van oproepkaarten voor militaire dienst.

Al deze bewegingen waren onderling verbonden, ze overlapten qua deelnemers en thematiek. Erbinnen kwamen allerhande linkse groeperingen op, langs elkaar heen werkend, samenwerkend, ruziemakend, met de meest uiteenlopende opvattingen en werkwijzen, van de anarchististen van Up Against the Wall via de gedegen maar ook wat belegen trotskisten van de Socialist Workers Party (SWP), tot de ultra-maoïsten van Progressive Labor en van tal van partijtjes en groepen in wat later bekend werd als de New Communist Movement.

De jaren zestig waren met dit alles een periode van revolte van een diepgang, een felheid en een reikwijdte die in de VS ervoor zelden, en sindsdien helemaal niet meer is vertoond. En wat was het partijpolitieke resultaat van al deze opstandigheid? Een serieuze nieuwe socialistische of communistische partij van enig formaat kwam er niet uit voort, en bestaande partijen van dat genre slonken na afloop na een tijd groeiend te hebben meegelift op de sixties. Dat gold bijvoorbeeld voor de SWP, een club die een forse rol speelden in de demonstraties tegen de Vietnamoorlog maar later op dood spoor geraakte, en waarvan nu nog een sektarische romp is overgebleven. Heel veel van de partijcommunistische groepjes van de New Communist Movement overleefden de jaren zestig ook niet lang. Leden van hen kwamen uiteindelijk vaak terecht in de vakbeweging en in… de Democratische Partij.

Anarchistische groepen uit die periode hebben het evenmin overleefd, maar dat is in anarchistische kringen gebruikelijk: de gehechtheid aan permanente en steeds groeiende organisaties is onder anarchisten veel minder dan bij marxisten die immers een Voorhoedepartij menen te moeten opbouwen. De herleving van anarchistische opvattingen en praktijken die ook in de VS in de jaren zestig plaatsvond, was door het gebrek aan organisatorische continuïteit dus veel minder geraakt dan partijgebonden linkse stromingen. Marxistische groepen vallen uiteen. Anarchistische groepen ook, maar deelnemers daaraan zitten daar niet zo mee. De leden ervan duiken elders wel weer op.

De plek waar grote delen van links in de jaren zestig zich op richtten was echter de Democratische Partij. Die moest, als het enigszins kon, omgevormd worden tot een meer progressieve club, of minstens gebruikt voor progressieve doelen. Het idee stond bekend als ‘realignment’: als nu eens progressieven, vakbondsmensen en activisten van de burgerrechtenbeweging bezig bleven in de Democratische partij, als vervolgens vredesmensen en allerhande lefties zich bij hen voegden of zich tenminste op de partij oriënteerden, en als v de partij haar racistische conservatieve vleugel nu eens overboord gooide? Dan zou de partij een herkenbaar progressieve club kunnen worden. De conservatieven konden zich netjes vervoegen bij de Republikeinse Partij. Zo zou het politieke landschap heringedeeld kunnen worden, de progressieve krachten ‘realigned’.

Radicale New Left-stromingen vonden dit veel te gematigd. Radicalen konden daarbij met recht wijzen op de matiging van standpunten die de strategie met zich meebracht: niet de te scherpe kritiek op buitenlandbeleid en Vietnamoorlog, niet te veel haast met het afschaffen van apartheid in Mississippi, en alles via de juiste bestuurlijke kanalen. Dit radicalisme ontmoette weer felle afwijzing van de kant van sociaaldemocraten die al in de Democratische Partij actief waren, mensen als Michael Harrington en Irving Howe. Maar in bredere linkse kringen was dit idee sterk aanwezig. En wat was het uiteindelijke hoogtepunt van pogingen deze kant op? McGovern en zijn fanclub, electoraal afgedroogd door Nixon in een impliciet een-tweetje met de Democratisch establishment, een experiment dat erna nimmer is herhaald. Als zoveel commotie in de maatschappij zich in zo weinig links succes in de Democratische partij weet te vertalen, is het dan niet volstrekt illusoir om aan het idee dat linkse verandering via die partij vast te houden? Als het met brede en felle steun vanuit sociale strijd niet werkt, gaat het dan zonder zonder die breedte en scherpte van sociale strijd als ruggensteun en springplank – wel lukken?

En denk niet dat links het destijds niet hardnekkig heeft geprobeerd. In 1964 bijvoorbeeld was een antiracistische groepering in Mississippi bezig geweest met het samenstellen van een gemengde – dus niet loputer witte – delegatie voor de Conventie van de Democratische Partij. Dat had ze geheel volgens Democratische spelregels gedaan, met primaries en alles. Volgens de statuten zou deze delegatie – en niet de officiële, puur-witte delegatie van de Democraten in apartheids-Mississippi – als deel van de Conventie hebben moeten kunnen opereren, met stemrecht. President Johnson wilde er echter niets van weten. Stel je voor, zwarten in de delegatie van Mississippi, alle witte racistische kiezers – het soort kiezers waar de partij in de zuidelijke VS op leunde – zouden weglopen. Johnson deed een beroep op progressief vakbondsbestuurder Reuthers, die en kort lijntje had naar Martin Luther King. Langs dit lijntje kreeg de interraciale delegatie een aanbod: twee zetels naast de officiële delegatie, maar zonder stemrecht. De interraciale delegatie ging niet akkoord, ze eiste immers haar plek op in plaats van de op racistische basis gevormde delegatie, niet als machteloos onderdeeltje ervan of iets dergelijks. Toen een welsprekend lid van de interraciale delegatie, Fannie Lou Hamers, het woord nam, live op televisie, maakte Johnson inderhaast bekend dat ook hij een live-aankondiging te doen had. Wèg was de aandacht voor Hamers. Zo ontnam Johnson de delegatie niet enkel het stemrecht maar ook daadwerkelijk hun stem. Deze episode symboliseerde voor veel zwarte en ook witte radicalen een symbolische breuk met het hele idee dat de ‘liberal’ vleugel van de Democratische partij een soort partner kon zijn in linkse strijd.

Lang niet heel links was echter permanent afgekickt van deze partij-drug. In 1968 sloeg het idee weer toe. In voorverkiezingen scoorde Eugene McCarthy, die zich tegen zittend president Johnson kandidaat had gesteld voor de Democratische Partij, opvallend goed. Hij bracht een verhaal waarin voorzichtige kritiek op zowel sociale misstanden als op de Vietnam-oorlog naar voren kwam. Jongeren die protesteerden tegen die oorlog, maar niet toe waren aan een totale breuk met het systeem, zagen in hem een soort held. Al snel kreeg je het verschijnsel ‘Clean for Gene’: jongeren deden ‘nette kleren’ aan en lieten hun haar knippen, en renden zich uit de naad voor ‘Gene’. Dit was in de periode dat bij jonge mannen lang haar, en vervolgens snorren en baarden, om zich heen grepen als alternatief cultureel symbool. Dat juist relatief radicale jongeren dit soort symboliek weer lieten vallen om makkelijker met conventioneel geklede Amerikanen te kunnen praten, gaf wel iets aan.

Een flink aantal linksere jongeren was uitgerekend in die eerste maanden van 1968 eventjes op campagne gegaan, voor een keurige kandidaat, die ietsje minder oorlogszuchtig overkwam dan de rest. Veel hoop op een meerderheid binnen de partij had McCarthy weliswaar niet, zeker niet toen ook Robert Kennedy zich in de race gooide en een beroep deed op hetzelfde sentiment als McCarthy. Maar wie weet, als andere kandidaten geen meerderheid kregen, dat McCarthy dan alsnog boven kwam drijven? Ook die hoop vervloog toen Kennedy werd vermoord. “Met Kennedy dood trok het leven uit McCarthy” – althans uit zijn campagne. “Nu zijn kans om erdoor te glippen door een impasse tussen Kennedy en Humphrey te doorbreken verloor de reuzendoder zijn trek in het gevecht”, aldus Todd Gitlin, linkse studentenactivist in die jaren [4]

De Conventie was intussen in handen, niet van kiezers maar van partijfunctionarissen. En de stad Chicago waar de Conventie gehouden werd was in handen van de politie, die in handen was van burgemeester Daley. Een Democraat, jazeker. Rond de Conventie was protest van, deels als support voor McCarthy, deels als kritiek op het hele Democratische establishment en de oorlog die maar aanhield. Politie bestookte niet alleen de radicalen maar ook de keurige clean-for-Gene-aanhang van McCarthy met knuppels en traangas; net als aanwezige journalisten. Tot in het gebouw waar de Conventie plaatsvond hing traangas. Democratisch traangas, ingezet tegen mensen die probeerden loyaal Democraat te zijn, maar overduidelijk waren verdwaald in een vijandig politiek bestel. Dat was de sfeer waarin vice-president Humphry, en niet Eugene McCarthy, presidentskandidaat werd.

De campagnes van 1964 en 1968 bleken dus voor links geen erg begaanbare weg via de Democraten te bieden. Wel veranderde er binnen die partij iets. Vasthouden aan gesegregeerde delegaties ging in 1968 niet meer, en ook werden partijregels kennelijk zodanig veranderd dat in 1972 kon lukken wat in 1968 nog vastliep: het kiezen van een progressief als kandidaat van de partij. Intussen lag echter het hoogtepunt van strijd in het verleden en waren de tekenen van een rechts maatschappelijk tegenoffensief al merkbaar. De sociale bewegingen waren verbrokkeld en versplinterd, deels ondergronds gegaan zoals de Weatherman, deels door repressie en infiltratie verwoest zoals de Black Panthers. Een aanzienlijk deel van de bewegingen werd echter geabsorbeerd in de Democratische Partij. Nogal wat mensen die actief waren geweest in de jaren zestig begonnen nu deel te nemen aan electorale en bestuurlijke politiek via die Democraten.

De Democratische Partij kende intussen ook een toenemend aantal Congresleden die zich tegen de Vietnamoorlog begonnen uit te spreken. Dat was deels een kwestie van inschatten van een publieke opinie die steeds minder van de oorlog moest hebben. Deels was het een inschatting van een hoofdstroom in het Amerikaanse establishment die van de oorlog af wilde. Die hoofdstroom zag er een verloren en verliesgevende zaak in die de binnenlandse stabiliteit begon aan te tasten door de weerstand die ze opriep. Democraten konden nu ook makkelijker tegen de oorlog zijn in partijpolitieke zin: in 1968 was Nixon immers tot president gekozen, de oorlog was nu dus primair een Republikeinse aangelegenheid waar je als Democraat dus makkelijker wat oppositie tegen kon voeren. Alles bij elkaar was de partij niet meer het gesloten pro-oorlogsbolwerk die het in 1966 nog goeddeels was. Dat tegenstanders van de oorlog er een plek in dachten te vinden was op zichzelf niet zo heel vreemd.

Maar hoe meer ze er hun plek vonden, hoe meer ze werden ingekapseld en hoe minder er van een perspectief van autonoom verzet overbleef. Zonder pressie van onderop voelden de kersverse linkse Democraten – mensen als Tom Hayden met zijn achtergrond in de radicale studentenbeweging – vooral nog druk van hogerhand, vanuit het establishment. Dat was druk richting aanpassing, richting het loslaten van radicaler standpunten. Een proces van aanhoudende de-radicalisering, van aanpassing aan de politieke pro-kapitalistische hoofdstroom, ging hand in hand met de keus van veel (ex-)radicalen om via de Democraten politiek te bedrijven. Een beetje tegen de oorlog zijn was geen probleem meer. Maar radicaler verandering verdween uit de agenda van dit slag mensen.

Jazeker, die partij werd linkser van dit alles, vergeleken met van de Republikeinen althans. Echt serieus links werd ze nimmer. En terwijl ze wat linksiger wordt, ja, juist door wat linkser te worden, haalde ze ook tal van actieve mensen weg uit de context waar ze strijd konden opbouwen en gaf ze deze mensen een plek in bestuurlijke structuren waar ze slechts een beperkte invloed konden hebben. De partij holde linkse strijdkracht uit in ruil voor wat linkse woorden en een vleugje bestuurlijke verantwoordelijkheid die al snel verwordt tot bestuurlijke medeplichtigheid. De partij haalde mensen – goede mensen, actieve mensen, betrokken mensen – aldus weg van de plekken waar ze effectief en autonoom protest en verzet konden organiseren: op straat, in de wijken, op de werkplek in bedrijven en instellingen.

Zo schaadde de partij – en degenen die er in mee gaan – de bewegingen door mensen als het ware van de straat naar de staat te halen. De periode waarin de Democratische Partij haar linksige gezicht vindt is dezelfde periode waarin de sociale strijdbewegingen ter linkerzijde verzwakten tot ze nog maar een schaduw waren van wat ze in de gloriejaren tussen 1965 en 1972 enige tijd waren geweest. De verzwakking van strijd en de beperkte verlinksing van de Democraten hangen samen. De sociale bewegingen van de jaren zestig verdienden en verdienen bepaald beter.

De wendbaarheid van de Democratische Partij, het feit dat ze zich openstelde voor linksere geluiden en voor personen met linkse achtergronden, zonder haar verbondenheid aan kapitaalsbelangen en de imperiale rol van de staat los te laten, droeg in hoge mate aan dit toch tamelijk bedroevende resultaat bij. Absorptie van links via de Democraten heeft wellicht meer bijgedragen aan het intomen van jaren zestig-radicalisme dan alle Republikeinse repressie bij elkaar. Waar de Republikeinse Partij zich tegenover links gerichte sociale strijd vaak manifesteert als knuppel en als stormram, daar opereert de Democratische Partij vooral als schokdemper en als spons. Hun rol is dus niet identiek. Maar in hun loyaliteit aan de gevestigde orde doen de partijen echter weinig voor elkaar onder.

Noten:

[1] R. Kroes, “New Left, New Links, New Left”, A lphen aan de Rijn/ Brussel 1975, pag. 42.

[2] De doorgelinkte docu spreekt van drie dagen waarop er rellen waren; elders hoor je van vijf dagen. Deze specifieke docu is extra interessant omdat die bij de aftiteling een uitgebreide bronvermelding bevat, voor wie meer wil weten. Een andere, iets langere, met een beklemmende opening vol homofobe citaten om te laten zien hoeveel er is veranderd: “The Stonewall Riots: Turning Point of the Gay Rights Movement”.  Zwakke plek: de docu spreekt enkel over “gay rights”, “gay liberation”. Dat laat niet alleen de lesbische vrouwen weg, het ziet ook over het hoofd dat veel erop wijst dat in het hart van de opstand mensen stonden die nu als transgender zouden worden aangeduid en/of zichzelf als zodanig zouden aanduiden.

[3] Belangwekkend over Berkeley 1964 blijft Hal Draper, “Berkeley: the New Student Revolt”(1965). Dat is als PDF  in totaliteit online te lezen, en voor pakweg de helft ook hoofdstuk voor hoofdstuk  in gewone internet-tekst.

[4] Todd Gitlin, “The Sixties – Years of Hope, Days of Rage”, New York 1987, pag. 311. geen perfect boek, vanwege de soms wat neerbuigende en psychologiserende toon jegens de militante stromingen van destijds, maar wel een aanrader voor de ‘feel’van de periode. Gher boek is deels persoonlijke terugblik, deels analyse, van een betrokkene: Gitlin was activist en zelfs enige tijd president van de Students for a Democeratic Society, een van de belangrijke organisaties waarin het studentenradicalisme zich uitdrukte. Veel van de sixties-episedoes die ik aanstip -de Freedom Democratic Party-delegatie tijdens de Democratische conventie in 1964, het politiegeweld in Chicago 1968, maar ook de vredesbeweging in de vroege jaren zestig – komen in het boek langs.

Peter Storm