Staking olieindustrie VS: arbeidersstrijd en milieuactie tegelijk

vrijdag 6 februari 2015

Onderstaand stuk verscheen al op de website van Doorbraak.

Leerzame gebeurtenissen in de Verenigde Staten. Leerzaam voor mensen die ‘arbeiders’ maar een achterhaald begrip vinden. Leerzaam voor mensen die denken dat stakingen niet meer van deze tijd zijn. Enkele duizenden arbeiders in olieraffinaderijen zijn afgelopen zondag 1 februari op negen bedrijfslocaties verspreid over de staten Washington, Texas, Kentucky en Californië in staking gegaan  . De vakbond United Steelworkers heeft de staking uitgeroepen.

Het gaat nog lang niet om alle mensen die in de betreffende bedrijven werken . In totaal telt de vakbond personeel van in totaal 65 raffinaderijen onder haar leden. Die installaties zorgen voor 64 procent van de olie in de VS. Het lamleggen van al die bedrijven is een stevig machtsmiddel. Maar zover is het niet. Nog niet?

De staking gaat om hoger lonen en om veiligheid en werkdruk, aldus de Volkskrant. Inderdaad: een looneis van zes procent  – twee keer zoveel als in het vorige arbeidscontract – maakt deel uit van de vakbondseisen. Maar de nadruk ligt niet daar. Gary Beevers, bestuurder van de United Steelworkers, zegt: Deze werkonderbreking gaat om bezwaarlijk overwerk; onveilig niveau van bemensing; gevaarlijke omstandigheden die de industrie blijft negeren; lekken en ontploffingen die plaatselijke gemeenschappen bedreigen zonder dat de industrie er veel aan doet; de weigering van de industrie om arbeiders kansen te bieden als vakpersoneel; het flagrante uitbesteden van werk dat impact heeft op gezondheid en veiligheid op het werk; en de erosie van de werkplek, waar gekwalificeerd en ervaren arbeiders die vakbondslid zijn worden vervangen door contractarbeiders als ze vertrekken of met pensioen gaan.” Geen woord over loonsverhoging hier. Het gaat om gevaar op de werkplek, gevaar voor de buurt, om werkdruk en gezondheid.

Dat blijkt ook uit een achtergrondstuk op de website Waging Nonviolence.  Daar leren we dat de United Steelworkers in totaal 30.000 leden telt, waarvan er nu 3.800 in staking zijn gegaan. We leren er ook dat dit de grootste staking van deze vakbond is sinds 1980, toen deze bond een staking hield die drie maanden duurde. Het artikel citeert Lynne Hancock, woordvoerder van de bond: “Dit is geen kwestie van een stelletje hebberige arbeiders die meer, meer, meer willen. We weten dat we goed worden betaald. Dat is de kwestie niet. Maar we hebben het gevoel dat we aan één stuk thuis willen komen na een ploegendienst.” Hancock legt ook uit hoe scholing van bedrijf en vakbond uit ertoe doet bij die veiligheid. Vervanging van zulk geschoold personeel door los-vaste arbeid brengt die veiligheid in gevaar, net als de onderbemensing, en het uitlenen van vakpersoneel aan andere bedrijven. Het artikel stelt: “Aangezien bedrijven ernaar streven om een ‘flexibel’ (lees: niet-vakbonds-) personeelsbestand in dienst te hebben, worden werknemers van raffinaderijen en leden van de gemeenschap blootgesteld aan risico’s van soms catastrofale ongelukken zoals branden, explosies en lekken die schadelijke chemicaliën in de atmosfeer brengen.” Arbeidersstrijd is hier dus tegelijk milieustrijd.

De staking is dus in de kern veel meer dan een loonconflict. De staking is een actie voor veiligheid en gezondheid van zowel arbeiders als van mensen die in de buurt van de bedrijven wonen. Die veiligheid en gezondheid staan onder druk omdat de bedrijven hel noodzakelijke geld er kennelijk niet voor uittrekken. De actie laat zien dat arbeidersstrijd méér kan zijn dan de meest beperkte belangenbehartiging van arbeiders alléén – hoe terecht ook die laatste strijd in zichzelf ook al is.

De actie is dus een vakbondsstaking, en daar ligt meteen ook een beperking. De Amerikaanse vakbeweging is net de Nederlandse vakbeweging, maar dan nog flink wat graden ernstiger. Een soortgelijke nadruk op onderhandelingen, met staken als laatste redmiddel, en ook dan nog mondjesmaat. De staking komt na twee weken onderhandelingen waarbij de ondernemers – met Shell vooraan in de onderhandelingen – voorstellen deden die voor de vakbond niet aanvaardbaar waren. Het antwoord was dus een staking, maar nog helemaal niet met volle kracht. Er is intussen wel zicht op uitbreiding van de staking, maar de voorzichtigheid – tegenover ondernemers die gewend zijn het spel keihard te spelen, in een maatschappij waar vakbonden toch al sterk verzwakt zijn – is tekenend. En vakbondsbestuurders gebruiken dit type actie doorgaans niet om eisen onverkort binnen te slepen, maar om aan vakbondsleden te laten zien dat ze voor hen opkomen én aan ondernemers laten zien dat de vakbond nodig is voor arbeidsrust, maar dat daar wel iets tegenover mag staan. Te vrezen valt dat een heel bescheiden concessie van ondernemerskant al voldoende is om de vakbond aan de onderhandelingstafel te lokken, de concessie in ontvangst te nemen en de arbeiders weer aan het werk te zetten.

Zo gaat het met vakbondsstakingen vrijwel altijd, zolang organisatie en bestuur van die vakbond de regie in handen houdt. Het belang van vakbondsbestuur – bestaande uit mensen die daarvoor worden betaald, en dus niet het leven van arbeiders in het bedrijf delen – en dat van de vakbondsleden is niet hetzelfde. Tussen datgene waar arbeiders – via vakbond of anderszins – voor vechten, en datgene wat de vakbond als organisatie nastreeft, bestaat nogal eens afstand, die zaken vallen zelden samen. Arbeiders vechten in principe om te winnen. De vakbond wil een compromis-via-onderhandeling.

Initiatief en zeggenschap over de strijd van de betrokken arbeiders – vakbondslid of niet – is essentieel om dit soort vakbondsbestuurlijke beperking te helpen doorbreken en de ondernemers frontaal te verslaan. Hoe sterk en georganiseerd die kracht van betrokken arbeiders zelf in deze staking is, weet ik niet. Maar die kracht wordt er sowieso eerder sterker dan zwakker op als ze via deze staking tot enig resultaat helpt leiden. Dat maakt deze staking sowieso de moeite waard.

Peter Storm