De wrange glorie – het revolutiejaar 1989

Maandag 2 december 2014

Onderstaand artikel schreef ik voort Buiten de Orde, waar het inmiddels is verschenen. De versie hieronder wijkt op kleine details af van de gedrukte tekst, en voetnoot (1) is toegevoegd. Die laatste heeft als voordeel dat die ook van illustraties is voorzien 🙂 .

Vijfentwintig jaar geleden, in 1989, viel de Berlijnse Muur. Daarmee viel symbolisch gezien tegelijk het Oostblok van communistische staten. Deze Val van het Communisme zal ongetwijfeld in de media tot uitbarstingen van pro-Westerse triomf leiden (1), tot het in herinnering roepen van de opluchting van destijds en de teleurstelling sindsdien. Reken maar vast op aandacht voor hoofdrolspelers van destijds. Gorbatsjov, wiens hervormingen in de Sovjet-Unie het veranderingsproces in beweging bracht. Reagan, wiens wapenwedloop en felle anticommunisme die Sovjet-Unie zo ongeveer tot die hervormingskoers dwong. Honecker, wiens halsstarrigheid in de DDR hervormingen daar blokkeerden, om er een revolutie voor terug te krijgen. Kohl die de revolutie behendig wist om te vormen tot een als ‘hereniging’ verpakte annexatie van de DDR door de Duitse Bondsrepubliek. Oppositiefiguren als Lech Waleza in Polen en Vaclav Havel hetn toen nog niet opgesplitste Tsjecho-Slowakije, zullen in de publicitaire eregalerij wel niet ontbreken.

Maar er zijn miljoenen anderen die een hoofdrol in het gebeuren speelden, en die het verdienen om in de schijnwerpers te staan. Niet alleen speelden zij een hoofdrol in het theaterstuk. Met hun initiatieven schreven ze voor dat theaterstuk ook grote delen van het script. Ze deden dat niet altijd bewust. Ze deden dat echter wel zeer doelbewust. Wat we, juist in dit jaar van herdenking, niet dienen we vergeten is dit. 1989 was niet slechts het jaar van diplomatieke wending , ineenstorting van het ene machtsblok en victorie voor het andere. Het was niet enkel het jaar van de val van een systeem en de vervanging door een ander systeem. Het was – net als 1789, 1848, 1917-18, 1936 en 1968 – vooral ook een jaar van opstand en verzet, van revolutie. Fundamentele bevrijding heeft die net zo min gebracht als die eerdere revolutiejaren. Maar de glorie van moedige mensenmenigten die dictators ten val hielpen brengen in een rechtvaardige strijd, leeft voort en verdient het om voort te leven.

De revoluties van 1989 richtten zich tegen een systeem dat communisme genoemd werd, maar dat op geen enkele manier was. De economie was in staatshanden, de staat was zogenaamd van ‘het volk’, van ‘het proletariaat’. In werkelijkheid heerste er een bureaucratie van partijleiders en bedrijfsdirecteuren, die de bevolking onder dwang aan het werk zetten, zichzelf enorme privileges toekenden en de rest van de mensen in relatieve,soms absolute armoede deden leven. Ze stond bekend als de Nomenklatura, naar de lijst van functies en posities waarvoor toestemming van heersende Communistische Partij nodig was. “De Nomenklatura was als een feodale heersende klasse. De leden ervan bezaten de productiemiddelen niet individueel. Ze beheersten ze als collectief. Zij waren de ‘eigenaars’ van de Volksdemocratieën. Net als andere klassensystemen hield de ‘Rode Bourgeoisie’ zichzelf in stand. Kinderen van de Nomenklatura genoten dezelfde automatische voorrechten, zolang ze speelden volgens de simpele regels van het systeem: loyaliteit aan de Partij.” Zo omschreef de journalist William Echikson de heersende klasse van de Oost-Europese staten.

Naast privileges ging er vooral ook veel geld naar bewapening. Het Oostblok was, onder Russische leiding, immers gewikkeld in een wapenwedloop met de grote Westerse concurrent onder Amerikaanse leiding. Macht op het internationale toneel, genieten van een leven in weelde, dat typeerde de motivaties van de bureaucratie. Ja, er was soms economische groei. Maar die was nimmer rechtvaardig verdeeld en stond altijd in dienst van de bureaucratische, als ‘communistisch’ vermomde macht. Het systeem werd gekenmerkt door een ongelijkheid die extra aanstootgevend was omdat ze haaks stond op het officieel beleden sociale gelijkheidsideaal. Het was daarmee ook een leugenachtig systeem. En het was een systeem vol systematische persoonlijke, culturele en politieke onvrijheid. Wie bezwaar maakte tegen de gang van zaken, kreeg problemen, variërend van ontslag tot en met gevangenschap of dood. De mensen die tegen dit alles in opstand kwamen, hadden bepaald geen ongelijk.

En in opstand kwamen ze. In Oost-Duitsland in een arbeidersopstand in 1953, in Hongarije in 1956 in een bruut neergeslagen revolutie, in Polen in arbeidersopstanden in 1956, 1970, 1976 en 1980-81, en een studentenprotest in 1968; in Tsjecho-Slowakije in een arbeidersrevolte in 1953 en in een democratische hervormingsbeweging in 1968-69 die als ‘Praagse Lente’ bekend kwam te staan. Steeds ging het mis, steeds wisten de machthebbers de opstandigheid te smoren met een steeds wisselende combinatie van inkapseling, niet nagekomen beloften en vaak brute repressie. Door de jaren heen sleet het idee dat er aan dit systeem een sympathieke kern was die te hervormen was door de corrupte en bureaucratische uitwassen er uit te snijden en zo ‘socialisme met een menselijk gezicht’ te scheppen, en verloor haar geloofwaardigheid. Heet systeem werd door de handjesvol oppositionele activisten – de zogeheten dissidenten – steeds meer als onherstelbaar fout aangemerkt. Slechts omdat het systeem zoveel brute macht had, met achter de hand altijd de dreiging van Russisch militair ingrijpen, kozen dissidenten er in de jaren steeds meer voor om niet de totale omverwerping van het systeem na te streven, maar de macht ervan uit te hollen, te verzwakken door stukjes vrijheid te veroveren, onafhankelijke clubs en associaties op te zetten. Geweldloosheid werd de norm van dissidenten en activisten, gecombineerd met geleidelijke hervormingen, hooguit een “zichzelf beperkende revolutie” in de woorden van de Poolse dissident Adam Michnik, een ‘revolutie’ waarbij de civiele maatschappij steeds meer vrije ruimte veroverde terwijl staat en regeermacht in partijhanden bleven om geen Russisch ingrijpen te provoceren. Het heroveren van vrijheid was veelal een kwestie van de vrijheid niet zozeer eisen, maar hanteren, niet aan de officiële leugens mee te doen, in wat de Tsjechische toneelschrijver Havel zo prachtig omschreef en uitlegde als een “poging om in waarheid te leven”.

Maar intussen werden bevolkingen ongeduldig. Niet iedereen had tijd voor zelfbeperking, voor pogingen om in waarheid te leven. Jonge mensen die op zichzelf wilden wonen moesten vaak dan twintig jaar op een eigen appartement wachten, arme mensen moesten dag na dag langdurig in de rij staan voor producten die er hetzij niet waren, hetzij van beroerde kwaliteit. Het dagelijks leven was voor miljoenen mensen niet alleen onvrij, maar in materiële zin ook erg miserabel. Fabrieksarbeiders in Polen deden zwaar werk voor er een schamel loon en schoksgewijs stijgende prijzen die vaak na staking en demonstraties weer teruggedraaid werden. Met hun woede groeide zo ook een besef van eigen kracht. In 1980 dwongen ze erkenning van hun “onafhankelijke, zelfbesturende vakbond” Solidariteit af. In 1981 joegen de machthebbers die vakbond ondergronds en sloten leiders ervan, waaronder Lech Walesa, op.

Maar aan de steeds grotere economische crisis van de Oostbloklanden veranderde dit niets. Die crisis werd nog eens aangejaagd door de versnelling van de wapenwedloop die de toch al zwakkere Oost-Europese economieën steeds meer op kosten joeg zodat er steeds minder overbleef voor de rest van de economie, en voor de levensstandaard. Bureaucratische inefficiëntie bleek fnuikend. Het werd de machthebbers in Moskou duidelijk dat ze, als het zo doorging, niet alleen de wapenwedloop zouden verliezen, maar dat hun macht steeds weer van onderop zou worden uitgedaagd.

Reagans kruisraketten en Star War-wapenprogramma, gecombineerd met de Poolse stakingsstrijd van 1981, vormden samen een waarschuwing voor het Kremlin. Dat besloot, onder leiding van de in 1985 als partijleider aangewezen Gorbatsjov, dan ook tot hervormingen. De leiding voerde marktwerking in onder het etiket ‘perestrojka’ , ‘hervorming’, en stimuleerde kritiek op inefficiënte en corrupte bureaucratische praktijken onder het wachtwoord ‘glasnost’, ‘openheid’. De perestroika leidde tot de opkomst van nieuwe rijken, en tot het de omvorming van delen van de Nomenklatura in een openlijke ondernemersklasse. Andere delen hielde vast aan de oude methoden. De glasnost gaf mensen de ruimte om steeds nadrukkelijker te protesteren en voor hun rechten op te komen, hetgeen old skool apparatsjiks de zenuwen gaf. Een chaotische periode brak aan, die er op uitdraaide dat in 1991 zowel de partijdictatuur als de Sovjet-Unie zelf ten grave werd gedragen, en de weg naar een openlijk kapitalistische markteconomie werd ingeslagen. Gorbatsjov – die steeds meer zwabberde tussen radicaler hervormingen en het behoud van het systeem – maakte dat niet meer mee en moest eind 1991 aftreden.

De gebeurtenissen hadden hun weerslag in de Oost-Europese staten. Die werden door Gorbatsjov tot soortgelijke hervormingen aangemoedigd, hetgeen bij lang niet alle partijleidingen in goede aarde viel. Gorbatsov maakte ook duidelijk dat Rusland geen militaire invasies zou lanceren om de plaatselijke machthebbers overeind te houden. Mensen kregen dus het gevoel dat, als ze voor meer vrijheden opkwamen, geen Russische interventie meer riskeerden maar zelfs een soort bondgenoot hadden in Gorbatsjov. Zonder macht in Moskou die hun posities zou garanderen, en met een bevolking onder zich die bezig was de angst van zich af te werpen, waren de dagen van de politbureaucraten geteld. Het jaar 1989 was het jaar van die ontknoping.

Het eerste land waart de dingen fundamenteel gingen bewegen was Polen. Daar was Solidariteit ondergronds gejaagd, maar na enkele jaren waren de meeste aanvoerders weer vrij. Er was een levendig ondergronds netwerk van dissidenten, oppositionele netwerken, illegale publicaties. Veel van het geld voor de vooral rond Solidariteit actieve oppositie kwam overigens niet van actievoerders en opstandige arbeiders uit Polen. De CIA sluisde miljoenen, waarschijnlijk enkele tientallen miljoenen, dollars door naar de Poolse oppositie, en het Vaticaan – waar een Poolse, zeer anticommunistische paus zat – hielp mee. De revoltes in Oost-Europa waren geen geheime operatie van Westerse imperialisten. Maar die imperialisten deden wel degelijk hun best om het proces te beïnvloeden om hun invloedssfeer uit te breiden.

Het Poolse bewind deed nauwelijks nog moeite om dat proceste verpletteren, de machthebbers waren allang blij dat die oppositie niet tot revolte overging. Maar in 1988 leidden prijsstijgingen wederom tot twee stakingsgolven. Die dwongen de machthebbers ertoe om Solidariteit te legaliseren en onderhandelingen te beginnen. Die leidden tot min of meer vrije verkiezingen die door de communistische partij verpletterend werden verloren. Tegen de achtergrond van arbeiders die keer op keer stakingen lanceerden en eren economie die verder crashte, kwam uiteindelijk een coalitieregering tot stand. Jaruzelski, generaal en communistisch partijlid, bleef president. Maar een aan Solidariteit verbonden adviseur, Mazowiecki, werd premier. Polen werd de jaren erop snel en vrij hardhandig omgevormd tot een liberale democratie met een verregaand geprivatiseerde markteconomie. Solidariteit, begonnen als arbeidersorganisatie, was intussen tot de nieuwe machthebbers gaan behoren en steunde de markthervormingen tegen de arbeiders in. Die kregen vrijheid om vakbonden te vormen en actie te voeren, maar ze kregen tegelijk ontslagen en hogere prijzen te verduren.

Een soortgelijke wrange deal – iets meer vrijheid, in ruil voor grote bestaansonzekerheid – stond de bevolkingen van andere Oost-Europese staten eveneens te wachten. Wrange troost: als het aan de communistische machthebbers had gelegen waren die markthervormingen – waar ze halverwege de jaren tachtig al druk mee bezig waren – er ongetwijfeld gekomen. Voor de toename in arbeidersvrijheid was echter de dappere inzet van die arbeiders zelf nodig. Wat er gebeurt als wel de markthervormingen worden doorgedrukt, maar protest vanuit de bevolking wordt neergeslagen, werd vanaf hetzelfde jaar 1989 in China meedogenloos duidelijk. Daar sloegen de machthebbers een studenten- en arbeidersprotest neer, en zetten vervolgens alsnog koers naar de vrije markt. Zo werd China ene gigantische sweatshop, voorzien van fier wapperende rode vlaggen.

In Oost-Duitsland speelde, naast de gebruikelijke onvrijheid, ongelijkheid en leugenachtigheid specifiek het recht op beweging een grote rol in de revolutie die zich aftekende. Er speelde meer. Openlijke verkiezingsfraude bij plaatselijke verkiezingen werd een aandachtspunt voor oppositionelen. Toen de Hongaarse autoriteiten echter bekend maakten dat ze niet langer Oost-Duitsers zou weerhouden naar het Westen te gaan, begonnen steeds grotere aantallen mensen uit de DDR naar Hongarije te reizen om hun kansen te wagen. Dat had ontwrichtende economische gevolgen in de DDR zelf. Het regime probeerde de zaak te stroomlijnen, en zorgde zelf voor een trein van oost naar West-Duitsland. Die werd, toen die door Dresden kwam, deels toegejuicht, deels bestormd.

Terwijl emigratie van tienduizenden uit de DDR op gang kwam en steeds minder beperkingen ondervond, begonnen andere mensen demonstraties te lanceren. In Leipzig waren al langer kritische kerkdiensten gehouden. Nu gingen de kerkgangers na afloop de straat op. Vanaf september was er elke maandagavond een protestdemonstratie in die stad. “Vrije Verkiezingen!” en “Wij zijn het volk!” weerklonken. De aantallen zwollen snel aan: tussen de 1500 en 2000 in september, 8000 op 25 september, 10.000 op 2 oktober, 70.000 op 9 oktober, 120.000 op 16 oktober. Op 23 oktober betoogden 300.000 mensen in de stad. Vooral die demonstratie van 9 oktober verliep onder dreiging van intense repressie: partijleider Honecker gaf opdracht aan militairen om het vuur op demonstranten te openen. Dat gebeurde echter niet.

Intussen was Gorbatsjov op bezoek geweest in Berlijn om het veertig jarige bestaan van de DDR te vieren. Gorbatsjov maande Honecker tot hervormingen: “Wie te laat is, wordt door het leven bestraft”. Dat bezoek was op 6 en 7 oktober. Op 18 oktober verving de partijtop Honecker, en mocht Egon Krenz het proberen. Het werkte amper. Een gigantische demonstratie in Berlijn – deze keer met toestemming van de autoriteiten – trok een half miljoen mensen. Mensen riepen: “Egon Krenz, wir sind die Konkurrenz!” Egon Krenz blies in december de aftocht. De concurrentie werd hem te veel.

Toen was de climax al achter de rug. Op 1 november was Tsjecho-Slowakije al opgehouden met Oost-Duitse emigranten tegen te houden, De druk op de DDR-bestuurders om vrij verkeer toe te laten, werd overweldigend. Op 9 november kondigde de leiding een nieuwe wet aan in die zin. Op ene persconferentie maakte een woordvoerder bekend dat de veranderingen “onmiddellijk, zonder uitstel” in gingen. Meteen stroomden mensen naar de Berlijnse Muur, waar grenswachten ontredderd en zonder instructie wat te doen, de mensen maar door lieten. Nog diezelfde nacht begonnen mensen de muur te slopen. Het was een bestuurlijke maatregel die de grenzen open gooide. Maar het was de druk van demonstrerende, emigrerende protesterende menigten die de bestuurders daartoe bracht en daarmee de Muur onhoudbaar maakte.

De nasleep had iets tragisch. Aanvankelijk woedde de revolutie verder. Op 15 januari van 1990 bestormden menigten het gebouw van de veiligheidsdienst Stasi. Maar intussen was op de grote maandagsdemonstraties de leus “Wij zijn het Volk” weggeduwd door “Wij zijn één volk”. In een grondige verbouwing van de DDR is democratische richting, maar op socialistische grondslag, hadden weinigen nog trek. Waarom ook, als er een kant een klaar welvarend en vrij Duitsland klaarstond om de failliete Oost-Duitse boedel over te nemen? Natuurlijk zat hier een deceptie in: die welvaart was ongelijk verdeeld en zou slechts weinigen in de voormalige DDR bereiken. Maar dat mensen hereniging zagen als radicale oplossing, en er de voorkeur aan gaven boven halfslachtige hervormingen onder precies dat etiket ‘socialisme’ waar ze een gegronde afkeer van hadden ontwikkeld – ik vind het niet vreemd. Socialisme betekende voor mensen corruptie, onvrijheid, verklikkers, lange rijen en tekorten, terwijl de bazen in luxe leefden. Wat viel daar aan te hervormen?!

Kort na de val van de Berlijnse Muur was ook in Tsjecho-Slowakije de revolutie op gang gekomen. Eerder dat jaar waren er al wel demonstraties geweest, onder meer ter herdenking van de Russische interventie waarmee de Praagse Lente werd verpletterd. Zulke demonstraties trokken veelal enkele duizenden deelnemers, plus een oproerpolitie die de deelnemers uiteenjoeg. Er was een dissidentenbeweging rond Charta 77, een samenwerkingsverband rond een oproep aan de autoriteiten om zich aan de door hen volkenrechtelijk erkende mensenrechten te houden. De al genoemde Havel was één van de prominente woordvoerders; autoriteiten gooiden hem bij herhaling in de bak. Ze hadden hem al eens aangeboden om uit het land te vertrekken als hij niet opgesloten wilde worden. Dat vertikte hij.

Dissidenten en demonstranten hadden geruime tijd nog weinig weerklank onder bredere bevolkingslagen. De economie maakte voor veel mensen een béétje welvaart mogelijk, al begonnen tekenen van stagnatie wel op te duiken. De sfeer in het land was beklemmend en grauw, maar de acute sociale onvrede die Poolse arbeiders in opstand bracht, ontbrak in Tsjecho-Slowakije. Het was de botte, tot geen serieuze hervorming bereid zijnde houding van staat en partij, die opstand provoceerde. Dat gebeurde op 17 november, toen politie een studentendemonstratie uiteenjoeg en mensen verwondde. Het gerucht ging dat de politie zelfs een demonstrant had gedood, maar dat bleek hetzij een bewust verspreid gerucht om olie op het vuur te gooien, hetzij een misverstand. Hoe dan ook, de repressie bleek het spreekwoordelijke lont in het kruitvat.

Op 18 november begonnen stakingen van acteurs, theaterpersoneel en studenten in Praag, de dag erop breidden dist soort acties zich uit naar andere steden. Maar de beweging bleek supersnel veel meer dan louter een opstand van studenten en de culturele wereld. Op 19 november vormden tal van organisaties in Tsjechië een brede alliantie, het Burgerforum. In Slowakije gebeurde iets soortgelijks, daar heette het Publiek Tegen Geweld. Er volgden gigantische demonstraties: 100.000 op 20 november in Praag, waar vervolgens dag na dag werd betoogd op het Wenceclas Plein. Keurig na werktijd overigens, zodat de economie geen schade leed. Het is typerend voor de aard van de gebeurtenissen: er voltrok zich een politieke omwenteling, maar geen diepgaande sociale revolutie.

Ook in andere steden vonden intussen demonstraties plaats. Op 24 november bezwijkt de partijleiding: partijchef Milos Jakes en zijn collega ’s traden af. Op 25 november bereikte het aantal betogers in Praag de 800.000; in Bratislava demonstreerden 100.000 mensen. Op 27 november volgt een algemene staking van twee uur,. Die dag bezwijkt ook de officiële censuur. Twee dagen later schrapte het nog door de communistische partij gedomineerde parlement de grondwetsclausule die de infame ‘leidende rol van de partij’ verordonneerde. Eind december trad Gustav Husak af als president, en werd de tot revolutionaire volksheld uitgegroeide toneelschrijver Vaclav Havel als president aangewezen. Ook Tsjecho-Slowakije was nu op weg een liberale democratie te worden. Maar ook daar kreeg de bevolking in ruil voor meer vrijheid de bittere pil van marktwerking en bestaansonzekerheid te verwerken. Aan de glorie van de fluwelen revolutie – bewerkstelligd door studenten , intellectuelen en arbeiders die van te voren niet konden weten hoe snel en hoe relatief gladjes het zou gaan – doet de wrange uitslag niets af.

Bulgarije beleefde nauwelijks een revolutie in die periode, maar kreeg toch een tik mee. In dat land vonden betrekkelijk kleine demonstraties plaats rond milieuvraagstukken. Politie onderdrukte het protest veelal, maar het broeide wel. Op 10 november vond echter een machtswisseling binnen de partijtop plaats, waarin Peter Mladenov de plaats innam van Todor Zhivkov die al sinds 1954 aan de macht was. De nieuwe leiding had de duidelijke goedkeuring van Gorbatsjov. Op 17 november was er een grote oppositie-betoging, de censuur verdween, oppositiegroepen en partijen konden zich bovengronds groeperen.

In Hongarije ging het proces langs soortgelijke wijze, maar daar waren al langer wat sterkere oppositiegroepen actief. Binnen de partij waren intussen ook hervormers boven gekomen, vergeleken waarbij Gorbatsjov als tamelijk terughoudend overkwam. Al in januari kondigde de partijleiding vrijheid van partijvorming en vakbondsactiviteit aan. Belangrijke episodes waren daar de rehabilitatie van Imre Nagy, de Hongaarse premier die in 1956 tijdens de revolutie vrije verkiezingen en neutraliteit beloofde, en na de Russische inval was opgepakt en geëxecuteerd. Op zijn herbegrafenis op 16 juni van dat jaar verzamelden zich minstens 100.000 mensen. Demonstraties hadden het bewind in maart al richting onderhandelingen met oppositiegroepen gebracht. Die leidden in september tot een akkoord, waarin vrije verkiezingen en dergelijke in beeld kwamen. De hele uitkomst lijkt op die in Polen en Tsjecho-Slowakije. Maar het ging kalmer, met veel minder druk van onderop. Dat laat zien dat binnen de Nomenklatura zelf allang krachten waren die bezig waren de bakens te verzetten in de richting van markteconomie en liberale democratie. Geen wonden: in die markteconomie hadden zij de connecties om deel uit te maken van de ondernemersklasse. En in de liberale democratie kon de onvrede van de bevolking netjes in relatief veilige kanalen gehouden worden.

Hoe anders ging het tenslotte in Roemenië toe! Daar heerste een bizarre familiedictatuur van Nicolai Ceaucesu. Die voerde een programma van geforceerde industrialisatie door, en stak het land daarvoor aanvankelijk diep in de schulden bij onder meer het toch niet als erg communistisch te boek staande IMF. In 1981 besloot de dictator om die schulden af te betalen, tot op de laatste cent. Dat deed hij op kosten van de al tamelijk arme bevolking. Dat betekende: besparen op energie zodat mensen ’s winters in de kou zaten, straatverlichting een luxe werd, de TV maar een paar uur wat uitzond. Reportages over Ceausescu waren favoriet. Media bewierookten hem als het Genie van de Karpaten. Hij liet paleizen bouwen voor zichzelf en zijn getrouwen. Oppositie werd geïntimideerd , een mijnwerkersstaking in 1977 werd verpletterd. Ceausescu had openlijk minachting voor Gorbatsjov en zijn hervorming, en riep nog in de zomer van 1989 het Warschaupact en Rusland op veranderingen in andere Oost Europese landen met militair geweld te bestrijden. Nog in november liet hij zich toejuichen voor een partijcongres waar zijn urenlange speech 66 keer met applaus werd onderbroken. Ik herinner me televisiebeelden ervan. Na afloop ging het applaus maar door, maar de gezichten waren bepaald niet vrolijk. Je zag de angst: niemand durfde als eerste met klappen op te houden. En dat was dan de top van de Nomenklatura, de heersende klasse die beefde onder haar eigen dictator? Hoe groot moet de angst onder de rest van de bevolking zijn geweest, met overal agenten en informanten van de gevreesde veiligheidsdienst de Securitate?

Op 16 december werd de ban verbroken. Die dag probeerde politie de dissidente dominee Laszlo Tökes, activist voor de rechten van de Hongaarse minderheid, uit zijn parochie in Timisoara te verwijderen. Honderden mensen – parochianen en voorbijgangers – vormden een menselijke haag om dat te beletten. Al snel riepen mensen leuzen en probeerden een partijgebouw aan te vallen. Politie en Securitate viel de betogers aan met traangas. De dag erop laaide het protest hoger op, mensen drongen het partijgebouw nu binnen en gooiden onder andere boeken van Ceausescu op straat. Het leger kreeg opdracht met scherp op demonstranten te schieten, en militairen deden dat ook. Op 18 november kondigden bestuurders de noodtoestand af, maar op 19 november bezetten 100.000 mensen een stadsplein. Pogingen van onder meer de chef van de generale staf om arbeiders in fabrieken – die kennelijk in staking waren gegaan – weer aan het werk te praten, mislukten.

Intussen ging het nieuws van de opstand in Timisoara rond in de wereld en in het land zelf. Ceausescu was op staatsbezoek in Iran toen de revolutie begon, Eenmaal terug, eiste hij harde maatregelen. Ook besloot hij een toespraak te houden tot zijn ‘enthousiaste aanhangers.’ Sommigen werden in busladingen aangevoerd, van vlaggetjes en portretten van het Genie voorzien. De dictator sprak., en veroordeelde de opstandigheid in Timisoara. Applaus van de voorste rijen, maar al snel ook boegeroep. De kreet “Ti-mi-soa-ra!” klonk. Ceausescu keek verbijsterd en probeerde de menigte tot stilte te manen. Die menigte was echter bezig haar eigen stem te hervinden. De vrouw van Ceausescu rook onraad en fluisterde haar echtgenoot in: ‘je moet ze iets geven!’ De dictator beloofde ter plekke hogere lonen en meer van dat fraais. Maar de menigte was niet samengekomen om een loonconflict uit te vechten. Mensen begonnen leuzen te roepen, en de uren erop openden soldaten en Securitate-agenten het vuur op de inmiddels daadwerkelijk in opstand gekomen menigten. De volgende dag stroomde opnieuw een enorme mensenmenigte samen bij het paleis van Ceausescu. Die jouwden de dictator uit. Van de intussen afgekondigde noodtoestand inclusief samenscholingsverbod trok niemand zich nog wat aan. De nieuwe minister van defensie – de oude was tot zelfmoord gedreven of vermoord, waarschijnlijk omdat hij Ceausescu ’s onderdrukkingsinstructies naast zich neer had gelegd – gaf soldaten op om naar de kazernes terug te keren. Ook moedigde hij Ceausescu aan om de aftocht te blazen per helikopter. Dat deed hij, vanaf het dak van het hoofdkantoor van de communistische partij, en intussen bestormden betogers het gebouw.

Er volgden enkele bloedige en chaotische dagen waarin betogers – waaronder ook overgelopen soldaten – onder vuur genomen werden door gewapende groepen, waarschijnlijk Securitaste en dergelijke. Intussen had een groep van in ongenade gevallen partijfunctionarissen onder het etiket Nationaal Reddingsfront onder leiding van Iliescu, de macht naar zich toegetrokken. Ceausescu werd al snel opgepakt, en na een overduidelijk showproces, samen met zijn vrouw ter dood veroordeeld en ter plekke doodgeschoten. Het had alle tekenen van een afrekening tussen criminelen, waarbij de angst van Ceausescu teveel zou onthullen over de nieuwe machthebbers een grote rol speelde. Hoe dan ook, de dictator was dood, en – moeizaam en aarzelend, maar toch – ook Roemenië zette koers naar een zeer corrupte markteconomie-annex-liberale democratie.

Dat was de hoogst onbevredigende uitkomst van een episode die – met haar massademonstraties, barricadengevechten en op de vlucht gedreven dictator – op welhaast klassieke wijze uitzag als werkelijke revolutie. Alweer: de menigten die dit alles met grote moed teweegbrachten, komt eer toe. Dat het richtinggevoel en de doelbewustheid om er méér uit te halen dan de beperkte facelift die de autoritaire klassenheerschappij via de gebeurtenissen kreeg, is die menigten niet te verwijten. En wat voor Roemenië geldt, is evenzeer van toepassing op de revoltes en revoluties in al die door het opstandsvirus aangetaste dictaturen in dat jaar 1989. Nee, gewonnen hebben ze niet, die revoluties. Maar compleet verloren hebben ze evenmin, tenzij we het verschil tussen beperkte vrijheden en totale totalitaire onderdrukking over het hoofd zien. Als pogingen van miljoenen mensen om het juk van dictatuur af te werpen en voor vrijheid en waardigheid op te komen verdienen de gebeurtenissen het om niet alleen met respect herdacht, maar ook als inspiratiebron te worden gevierd.

Meer weten

Dit artikel is veel verschuldigd aan de inspiratie die de herinnering aan de gebeurtenissen destijds nog altijd biedt. Destijds las ik er dagelijks de krant over, en volgde ik het nieuws met een blije betrokkenheid die vergelijkbaar is met het enthousiasme dat de Arabische lente in 2011 bij me losmaakte. Maar herinneringen alleen waren niet voldoende voor dit stuk. Onder de boeken die ik vooral voor achtergronden en ‘feel’ heb benut heb vermeld ik er twee: William Echikson “Lighting the Night – Revolution in Easterrn Europe” (Londen/Sydney/Auckland, 1990) en Tony Judt , “Na de oorlog – eren geschiedenis van Europa sinds 1945” (Amsterdam/ Antwerpen 2006). Voor de feiten heb ik me, naast genoemde boeken, vooral verlaten op Wikipedia, de artikelen “Revolutions of 1989”, “Velvet Revolution” en “Romanian Revolution”.

Noot (1): Dit en de zinnetjes die volgen lezen alsof die herdenkingen nog gaan plaatsvinden, Dat komt omdat het stuk geschreven is ruim voor het moment dat de Muur 25 jaar geleden viel, maar door omnstandigheden pas enkele weken na het herdenkingsmoment in druk verscheen.

Peter Storm

Opmerking 5 december 1.35 uur: enkele onjuistheden gecorrigeerd, met dank aan een lezer (zie Reacties)

4 thoughts on “De wrange glorie – het revolutiejaar 1989

  1. mooi stuk maar met alle respect, de intellectuelen en anarchisten willen niet snappen dat we anno 2015 in een nieuw paradigma zitten: dat van de Eindtijd, Gray Aliens, anti christ, Quatzequaotl, MH370.

    En niet meer van Rosa Luxemburg, Bukovski, Adorno of Bakoenin. Ben trouwens wel benieuwd hoe Christiane F de heroïne door de checkpoints van Berlijn kreeg.

  2. Interessant stuk. Wel hier en daar wat slordig, b.v.:

    “Toen was de climax al achter de rug. Op 1 december was Tsjecho-Slowakije al opgehouden met Oost-Duitse emigranten tegen te houden, De druk op de DDR-bestuurders om vrij verkeer toe te laten, werd overweldigend. Op 9 december kondigde de leiding een nieuwe wet aan in die zin.”

    Het gaat natuurlijk om de maand november.

Comments are closed.