Staat òf revolutie

woensdag 8 januari 2014

De staat kan geen instrument tot fundamentele bevrijding van arbeiders zijn, omdat haar hiërarchische, bestuurlijke en repressieve aard haaks op elk fundamentele emancipatieproces staat. De problemen beperken zich echter niet tot het moment dat socialistische politici de staat in hand hebben om vervolgens te ontdekken dat ze aanstuurders in plaats van afschaffers van uitbuiting zijn geworden. Al vér daarvoor duikt het ene na het andere obstakel op. De twee auteurs van het tweeluik “The Strategy of Attrition”, artikelen waar ik in mijn vorige stuk “De staat in de overgang” al op ben ingegaan”, hebben daarvoor wel degelijk oog. Maar hun antwoorden erop overtuigen me geenszins.

Zo erkennen ze de mogelijkheid dat organisaties die in een proces van langdurige opbouw binnen het kapitalisme opereren, worden ingekapseld. Ze zien het gevaar dat een socialistische partij gaandeweg een bureaucratie ontwikkelt, met eigen organisatorische belangen. Dat geldt voor andere massa-organisaties in dit scenario ook. Uit “The Strategy of Attrition: Part II”: “Bureaucratieën mogen dan noodzakelijk zijn, maar ze zijn ook gevaarlijk daar ze de neiging hebben om aan de controle van de leden te ontsnappen. Hun eerste plicht is de organisatie zelf te bewaken en dit leidt tot een conservatieve mentaliteit. Alweer, dit is onvermijdelijk als de organisatie moet bestaan.” Daar komt nog de druk vanuit het kapitalisme op socialistische organisaties bij: de “leden zullen onderworpen zijn aan pro-kapitalistische propaganda en zullen niet immuun zijn voor de effecten van de bredere cultuur die grootschalig doordrongen is van kapitalistische waarden.” Dit alles maakt de hele strategie “een riskante”. Immers, “er is een race tussen de socialistische organisaties die beogen het kapitalisme om te vormen voordat het kapitalisme hen omvormt.” Als er barsten in het kapitalisme ontstaan voordat de socialistische organisaties helemaal zijn ingekapseld, kan het goed uitpakken, aldus de auteurs. Als het kapitalisme echter te vitaal blijft en zulke barsten blijven langdurig uit, is de kans dat het misgaat levensgroot. Maar hey, met deze strategie is er tenminste een kans: het “plaatst ons in de wedstrijd; een wedstrijd die we kunnen verliezen maar ook kunnen winnen. Zonder de massa-organisaties zitten de insurrectionaire groepen niet eens in de competitie, en hoewel ze dan niet kunnen verliezen, kunnen ze niet winnen ook.” Zo leiden de auteurs de aandacht behendig af van een levensgrote zwakke plek in hun strategie, door uit te halen naar opstandige alternatieven die oppervlakkig en karikaturaal worden weggezet. Dat ook groepen die zich richten op opstand als noodzakelijk moment, in de aanloop daar naartoe een veelheid aan activiteiten en organisatievormen kunnen opbouwen die hen “in de wedstrijd” situeert, kunnen of willen de auteurs niet zien.

Dan is er de kans dat krachten van kapitaal en staat niet gaan wachten tot een socialistische partij met meerderheden, parlementsleden en regeringsmacht het kapitaal gaat onteigenen en de staat gaat hervormen. “De putsch in Chili in 1973 is het favoriete voorbeeld van waartoe de rechtervleugel zijn toevlucht neemt als hun controle op bezit in gevaar wordt gebracht, maar er is geen tekort aan andere”(voorbeelden), leggen de auteurs in “Part I” van hun Attrition-tweeluik uit. Inderdaad. En er zijn eigenlijk nauwelijks voorbeelden waar via de electoraal gelegitimeerde staat de onteigening van de kapitalistenklasse wel is gelukt. Toch zit er volgens hen niets anders op, want zonder de staat te gebruiken kunnen we het kapitalisme niet omvormen in socialisme. De staat mag dus niet kapot, want “hoewel (haar ) vernietiging het probleem van de militaire reserve-optie van de heersende klasse oplost, lost het (…) het probleem van het mogelijk zijn van de overgang naar een socialistische productiewijze niet op.” Dus, hoe groot het risico ook is dat vanuit de staat, vooral haar repressieve organen, een staatsgreep tegen links komt – we moeten die staat toch intact laten. Dat was de logica waarmee Allende weigerde arbeiders te helpen bewapenen tegen de generaals, toen de staatsgreep van Pinochet eraan kwam. Ook Allende dacht de staat zelf niet te kunnen missen als hefboom. Ook hij liet daarom die staatsmacht intact en verdedigde haar tegenover degenen die er, terecht, een dodelijke bedreiging voor progressieve verandering in zagen.

Nu willen de twee auteurs wel de optie van een revolutionaire confrontatie openhouden, in tegenstelling tot Allende in de praktijk van 1973. Ze schrijven: “Natuurlijk, als het democratische proces zelf wordt aangevallen, hetzij door een frontale staatsgreep, hetzij door een langdurige vorm van technocratische regering geïnstalleerd door het IMF of de ECB, dan wordt een ouderwetse straatrevolutie niet alleen wenselijk maar zelfs onvermijdelijk. Totdat dit scenario zich voordoet dienen we de revolutie echter vanuit een defensief standpunt te benaderen.” Maar zo werkt het dus niet. Als je ten tijde van een staatsgreep of iets dergelijks een straatrevolutie wil zien slagen, moeten mensen enig idee hebben hoe dat werkt. Dat moeten ze inzicht in en ervaring hebben met de noodzakelijke methoden en actievormen. Dan moeten velen van hen wel eens aan allerlei wilde en confronterende acties hebben meegedaan. Hoe biedt je politiecharges het hoofd? Hoe zorg je dat massa-arrestaties niet elke coördinatie van actie verlammen? Hoe bouw je barricades, hoe verdedig je ze, hoe ontregel je een noodtoestand, hoe praat je op soldaten in zodat de kans groter wordt dat ze niet langer gehoorzamen? Hoe verlam je de communicatie van staat en kapitaal met stakingen en blokkades, zonder de communicatie en organisatie van arbeiders in verzet te verlammen? Een deel van dat werk ontdekken mensen in de praktijk. Een deel van dit werk is echter ervaringskennis, en het helpt als het eerder is geprobeerd, en als vrij veel mensen deel hebben aan de aldus opgebouwde ervaringen.

Maar een socialistische organisatie die zich principieel op legaliteit en democratische legitimatie beroept, en werkt viaverkiezingen, wetgeving en regeringsvorming, heeft die ervaringen niet en is er niet voor toegerust om e te verwerven ook. Ze zoekt zulke ervaringen dus ook niet. Sterker: zo ’n organisatie zal vaker wel dan niet anarchisten die wél tegen de oproerpolitie hebben gevochten, veroordeeld hebben als zijnde ‘raddraaiers’, ‘avonturiers’, ‘provocateurs’ en dergelijke. Het zijn, in passende symboliek, sociaaldemocratische burgemeesters die de Amsterdamse politie dag in dag uit loslieten, eerst op provo’s , Kabouter en Maagdenhuisbezetters, daarna op Nieuwmarktverdedigers en vervolgens de hele jaren tachtig en daarna, krakers, waaronder nogal wat anarchisten en autonomen. De sociaaldemocratische, electorale en legalistische strategie die de twee auteurs bepleiten is wel een hele slechte voorbereiding op een eventuele “straatrevolutie”. Ze staat, in haar gehechtheid aan de staat, haaks op alles wat maar op zo ’n revolutie lijkt.

In de praktijk, als rechts de gewapende optie kiest tegen links en zo ’n revolutie nodig zou worden, komt er voor zover het aan sociaaldemocraten ligt doorgaans een catastrofe. Toen Hitler kanselier werd, en zelfs toen de vervolging van communisten al in vole gang was, deed de officiële sociaaldemocratie vrijwel niets. Ze beriep zich op wet en constitutie, terwijl de nazi’s de legaal verkregen regeringsmacht allang gebruikten om de arbeidersbeweging gewelddadig op te rollen. Dat was geen lafheid van de sociaaldemocratische leiding. Het was politieke kortzichtigheid die ze zichzelf hadden opgelegd doordat ze zo lang via wet en parlement hadden gewerkt dat buitenparlementaire actievormen niet eens meer in haar opkwamen. Het wortelde in een keuze voor de bestaande staatsorde.

Toen de sociaaldemocraten in Oostenrijk in 1934 door het plaatselijke fascisme van kanselier Dollfuss met gewelddadige onderdrukking werden bedreigd, hadden sociaaldemocratische arbeiders aldaar gelukkig iets geleerd: ze vochten terug, hard en moedig. Het strekt ze tot eer. Maar omdat er nauwelijks voorbereiding was op onverzoenlijke revolutionaire strijd, omdat het in de strategie en de ervaring van sociaaldemocraten nauwelijks een rol speelde, bleef het een defensief achterhoedegevecht  dat de Oostenrijkse staat onder fascistische leiding binnen een week tijd wist te winnen. De sociaaldemocraten van Oostenrijk gingen niet eerloos ten onder zoals die van Duitsland. Maar ook eervolle nederlagen blijven nederlagen. Om te winnen in een revolutionaire confrontatie, moeten bewegingen minstens mentaal zijn voorbereid op de kans, ja de onontkoombaarheid van zo ’n botsing. Dag in dag uit verkiezingen en de parlementaire weg bewandelen, de daarbij behorende houding en praktijk en mentaliteiten stimuleren, maar de revolutie achter de hand houden voor het geval dat, is tamelijk kansloos.

Als je zelfs maar kans wilt maken een staatsgreep of een fascistische machtsovername te verslaan, dan heb je inderdaad revolutie en revolutionaire middelen nodig. Maar revolutie is geen noodscenario dat sociaaldemocraten naar believen uit de kast kunnen toveren als al het andere heeft gefaald. Revolutie is een strategische benadering die de hele aanpak doortrekt, wil er ook maar een kans zijn dat er iets van terecht komt.De arbeiders en boeren in Spanje lieten zien dat dit kon, door de staatsgreep van Spanje met opstanden, muiterijen en een in half Spanje effectieve tegenaanval ter beantwoorden. Ze maakten een revolutie, die pas in en na een langdurige burgeroorlog helemaal werd verslagen. Maar arbeiders in dat land hadden dan ook, deels onder aanhoudende anarchistische inspiratie, vijftig jaar lang geoefend in revolutie maken, – geoefend, niet in stembusstrijd en wetgeving, maar in kleine en grotere stakingsacties, opstandjes en opstanden, gevechten met politie en leger. Toen Franco in de zomer van 1936 toesloeg, wisten veel arbeiders dus wat hen te doen stond, en ze hoefden niet op instructies vanuit wat voor partijkantoor dan ook te wachten .

Dat het met de Spaanse revolutie die hieruit volgde, slecht afloop, lag niet aan de opstandigheid van anarchistisch geïnspireerde boeren en arbeiders die zich decennia lang had opgebouwd, als het ware in een eigen “strategy of attrition”. Die opstandigheid en bijbehorend zelfvertrouwen en via door anarchisten ontwikkeld onderwijs en bewustwording, gaf de revolutie veel van haar kracht. Murray Bookchin, in een belangrijke observatie: “in veel opzichten markeerde de revolutie van 1936 de culminatie van meer dan zestig jaar anarchistische agitatie en activiteit in Spanje.” Maar de mate waarop zelfs anarchistische organisaties steeds meer op een sociaaldemocratische organisatie waren gaan lijken – met de bijbehorende vatbaarheid voor legaliteit, bestuurlijkheid en samenwerking met politieke partijen – een fatale rol in de teloorgang van deze revolutie. Anarchistische en anarchosyndicalistische organisaties als CNT en FAI waren als het ware te sociaaldemocratisch geworden in ieder geval wat leidende kringen van die organisaties betreft. Het lijkt mij dat we daaruit van alles kunnen leren. Maar als een bevestiging dat er brood zit in een herleving van een sociaaldemocratische, via partijvorming, verkiezingen, wetgeving en regeringsmacht werkende strategie ziet het er bepaald niet uit.

De door de twee auteurs uiteengezette “Strategy of Attrition” leidt, als ze in haar eigen termen slaagt, wellicht tot reorganisatie van het kapitalisme door het kapitaal in staatshanden te brengen. De kans dat ze zelfs in die eigen termen mislukt en een rampzalige nederlaag lijdt tegenover een bloedige aanval vanuit kapitaal en staat, is levensgroot. Voor een werkelijke omvorming van deze maatschappij in antikapitalistische richting is daarom een heel andere benadering nodig, één die wél de staat principieel als vijand ziet, behandelt en zich daarom mentaal en praktisch voorbereidt op revolutionaire confrontatie tot het uiterste. Het is staat óf emancipatoire revolutie. Nooit en te nimmer staan die twee zij aan zij.

Peter Storm

2 thoughts on “Staat òf revolutie

  1. Hoi Peter,

    Twee aardige stukken over parlementarisme, de staat en revolutie. Enigszins ingewikkeld soms voor mensen met wat minder voorkennis maar zeker de moeite waard. Misschien aardig ook is de discussie volgende week in Amsterdam in het Fort van Sjakoo over ‘Anarchisme en Revolutie (in de 21ste eeuw)”.

    Een interessante vraag die bij mij opdoemde rondom een stukje wat in deze tekst staat (of eigenlijk in The Strategy of Attrittion: Part II) is dat ‘leden zelf aan pro-kapitalistische propganda en zullen niet immuun zijn voor de effecten van de bredere cultuur die grootschalig is doordrongen van kapitalistische waarden”
    Wat ik me hierbij afvraag: waarom is die pro-kapitalistische propaganda dan zo sterk in dit verleiden de socialsitsche principes in de steek te laten? Buiten dat die op het moment een monopolie heeft qua verfijndheid en schaal van verspreiding? Spreekt deze bijvb. een kant aan van mensen die kapitalistische waarden/gedachten ontlokt? Zoals bijvb. individueel gewin boven dat van anderen of de groep? Óf is het zo dat dit in een omgekeerde situatie precies andersom zou zijn? Antikapitalistische propaganda zou kapitalistische waarden temperen? Het was een interessant spinsel.

    Gelukkig kwam je hier op het einde van het artikel nog op de Spaanse Burgeroorlog trouwens. Een prachtig staaltje fascisme dat de sociaal-democratie onder de voet loopt als zij de goederen dreigt te ‘onteigenen’/socialiseren.

    Ik moet zeggen dat ik je tweede artikel wel wat sterker vind. Ik heb ze beide met plezier gelezen.

  2. Ik had eerder al een bericht getypt maar die was verdwenen. Ik heb weer wat moed verzameld om het te herschrijven.

    Allereerst bedankt voor dit artikel en die hiervoor. Ik heb ze beide gelezen en ik denk dat het belangrijk is om ook hier af en toe aandacht aan te besteden. Ook al is de sociaal-democraat van tegenwoordig toch wel erg ver van ons vervreemd.

    Persoonlijk vind ik het voorbeeld van ‘achter de politie, staat het kapitaal’ wat minder sterk. Ik denk namelijk dat een groot deel van de politie misschien wel kleinburgerlijk is, maar óf ze ook één zijn met de heersende klasse betwijfel ik. Dat ze een (wenselijk) middel zijn om over te nemen als gereedschap lijkt me hoogst onwenselijk. Ik stel dan ook vooral een goed sociaal opvangnet voor ex-agenten voor waarbinnen ze kunnen resocialiseren /.

    Vooral je tweede artikel vind ik erg helder en je gebruikt goede historische voorbeelden waarom dergelijke plannen voor de toekomst onwenselijk zijn. Geschiedenis waarvoor ze bedoeld is 😉 Al is het voor sommige mensen misschien soms net iets te summier en ontbreekt het een beetje aan achtergrond van de voorbeelden. Je moet er soms erg veel voorkennis voor hebben. Zoals bij het voorbeeld van (Salvador) Allende,

    Ik was blij dat onderaan alsnog de Spaanse Revolutie voorbij kwam aangezien dit toch hét praktijkvoorbeeld waar de staat in haar sociaal-democratische vorm tot onteigening over dreigde te gaan en vervolgens van binnenuit werd aangepakt door de fascisten en de bezittende klasse (Franco en kornuiten in dit geval).

    Een andere vraag die bij deze twee artikelen rees was de volgende. In het stukje waar men van de North Star uitspreekt dat ‘leden zullen onderworpen zijn aan pro-kapitalistische propaganda en zullen niet immuun zijn voor de effecte van een bredere cultuur die grootschalig doordrongen is van kapitalistische waarden”.

    Ik vind dat nogal een aanname. Is kapitalistische propaganda dan werkelijk zo (veel) sterk(er)? Wordt men ‘verleid’ de socialistische idealen laat varen?

    En als dat zo is, waar raakt het dan aan dat dit sterker is dan de socialistische ideeën? Spreekt het iets dieps aan in het individu waardoor die zich boven de groep stelt? Het individualistische aspect van het kapitalisme? Of ligt dit slechts aan de context, bijvoorbeeld door een gebrek aan tegengeluid, grootse verfijning van de propaganda (en op meerdere niveaus). Zou bijvoorbeeld in een libertaire communistische samenleving men andersom net zo goed constant worden verleid de kapitalistische ideeën te laten varen omwille de socialistische?

    Of werkt het helemaal niet zo? Het klinkt namelijk bijna als een Bijbels scheppingsverhaal waarin Adam en Eva door de sociaaldemocratische goden verboden zijn van de appel te eten en de kapitalistische slang de kapitalistische oerdrift (bijna) onvermijdelijk weet lost te maken en te doen laten regeren.

    Het is nogal een filosofische brei maar ik kon het niet loslaten toen ik die zin zag.

Comments are closed.