De staat in de overgang

woensdag 8 januari 2014

Veel radicalen en revolutionairen – nogal wat marxisten maar wel degelijk ook anarchisten – zien in de staat een instrument, een wapen van de kapitalistenklasse. De ondernemers gebruiken dat wapen om ons erin te houden: de staat is van de kapitalisten, zoals de kwast van de schilder is, de hamer van de timmerman en de gitaar van de gitarist. We zien dat idee bij Marx als hij “de moderne staatsmacht” omschrijft als “het comité dat de gemeenschappelijke zaken van de gehele burgerklasse beheert”, waarbij de ‘burgerklasse’ staat voor kapitalistenklasse oftewel bourgeoisie. We zien dat ook in een leus op anarchistische demonstraties: “achter de smeris staat het kapitaal”. Deze visie van de staat-als-instrument is niet adequaat, omdat ze hele belangrijke aspecten van de staat miskent, en tot strategische concepten leidt die meer te maken hebben met sociaaldemocratie, met Kautsky en Allende en Emile Roemer dan met de revolutionaire opvattingen van Marx, Kropotkin en Bakoenin.

Van de instrumentele staatsopvatting getuigen bijvoorbeeld een drietal stukken op de website North Star: “The Transition” , “The Strategy of Attrition: Part I” en “The Strategy of Attrition: Part II”. De artikelen, geschreven door Gawin Mendel-Gleason en James O’Brien, zetten in combinatie een samenhangend strategisch traject uiteen waarin de vorming van arbeiderscoöperaties een hoofdrol speelt. Deze coöperaties dienen dan met wetgeving ondersteund te worden, en om bevriende wetgevers te krijgen die dat voor elkaar brengen, is het nodig om een socialistische partij te vormen die aan verkiezingen deelneemt. De coöperatieve sector wordt hier gezien als de vorming van proto-socialistische elementen binnen een nog kapitalistische maatschappij, ongeveer zoals kapitalistische elementen al binnen de feodale maatschappij opkwamen voordat die maatschappij via revoluties zoals bijvoorbeeld de Franse omgewenteld werd tot een kapitalistische maatschappij. Zoals kapitalisme zich al binnen een feodale context ontwikkelde, zo ontwikkelt het socialisme zich al binnen een kapitalistische context. De coöperatieven zijn daar de kern van, maar parlementaire politiek moet die kern beschermen, versterken en zodat de coöperatieve sector de kapitalistische sector overvleugelt en een overgang vaan een socialistische maatschappij plaats vindt. Dat is het hoofdargument van “The Transition”. In dit artikel was electoralisme nog een zijtoneel: de activiteit van arbeiders zelf stond redelijk centraal: het waren immers arbeiders zelf die verondersteld worden coöperaties te vormen en te runnen.

Terzijde, voor Marx-adepten – waaronder ik mezelf niet reken, hoezeer ik de waarde van de inzichten van Karl Marx ook blijf zien: Karl Marx moest niets hebben van coöperaties met staatssteun. “Wanneer de arbeiders ernaar streven voorwaarden te scheppen voor collectieve productie op universeel-maatschappelijk niveau en allereerst op nationaal niveau, betekent dit slechts dat zij strijden voor een omwenteling binnen de productievoorwaarden van het nu en heeft niets gemeen met de in stelling van coöperaties met staatssteun. Wat nu de huidige coöperatieve genootschappen betreft, deze zijn slechts van waarde voor zover ze onafhankelijk door de arbeiders zelf zijn opgericht en geen bescherming genieten van regering of bourgeoisie”, zei hij in een kritiek op socialisten die daar anders over dachten. Marx valt in strategisch opzicht best één en ander te verwijten. Maar hij begroette de gevestigde staat in ieder geval niet als bondgenoot.

Over de coöperaties ga ik het hier verder niet hebben. In de twee volgende artikelen stonden niet die coöperaties zelf, maar de parlementaire weg naar sociale verandering zelf verregaand centraal. De stukken bevatten tal van polemische uithalen naar revolutionaire tradities die opstand, confrontatie met de staat, vorming van decentrale horizontale organen – arbeidersraden, assemblees en dergelijke – centraal stellen. Zowel Leninistische politiek – die opstand en arbeidersraden verbindt met een hoofdrol voor een revolutionaire partij om het proces te helpen sturen – als van anarchistische opvattingen – die opstand en assemblee-structuren willen genereren zonder zo ’n partij – krijgen bij hen de wind van voren. Daarbij gooien ze die twee tradities nogal op één hoop als zijnde de “insurrectionele” benadering. En het beeld dat zij ervan geven is erg kort door de bocht. Alsof anarchisten alleen maar wachten op de Grote Opstand, de opkomst van assemblees toejuichen en intussen straatgevechten met de politie uitlokken, alsof anarchisten niet tegelijk betrokken zijn bij een veelheid van sociale initiatieven, van volkskeukens tot boekhandels, websites en ja, ook coöperatieve bedrijven in zelfbeheer. Alsof Leninisten alleen maar hun club aan het hypen zijn, ter voorbereiding van de Grote Dag, en niet tegelijk ook bijvoorbeeld bezig zijn binnen vakbonden een poot aan de grond te krijgen. Het is een miskenning voor de mate waarin anarchisten én Leninisten er hun eigen versie van een ‘Strategy of Attrition’ op nahouden, of die nu uitgesproken en zelfbewust is ja of nee. Als revolutionair maak ik bezwaar tegen de karikatuur van opstandig gedachtengoed, zelfs van opstandig gedachtengoed waar ik het lang niet altijd mee eens ben. Als anarchist maak ik meer specifiek bezwaar tegen het op één hoop gooien van de opstandsconcepties van anarchisten en Leninisten, die onderling nogal uiteenlopen. Maar hier gaat het me even niet om anarchisme versus Leninisme. Hier gaat het me om revolutionaire versus parlementaire strategie.

Terwijl de schrijvers namelijk zo uithalen naar de opstandsbenadering, werken ze uit hoe het volgens hen zou moeten: een socialistische partij die stelselmatig haar opvattingen verbreidt, steeds meer aanhang wint, parlementszetels verovert, uiteindelijk regeringsmacht verovert en het kapitalisme met de wet in de hand ontmantelt. Nu gaat het niet alleen meer om een parlementair steuntje in de rug voor dingen die arbeiders zelf aan het doen zijn. Nu gaat het om de staatsmacht als geheel, die via verkiezingen in handen van socialisten zou moeten komen, waarna doe socialisten – niet de arbeidersklasse als geheel, maar door hen gekozen politici – die staatsmacht hanteren om het kapitalisme tot socialisme te transformeren. Zoals eerst de staat een instrument van kapitalisten is om hun belangen te dienen, zo is de staat nu een instrument van socialisten om de arbeiders te dienen. De staat zelf is, al wordt het niet met zoveel woorden gezegd, in deze visie dus uiteindelijk neutraal, gewoon een ‘ding’ dat je voor heel uiteenlopende doelen kunt gebruiken. En precies daar loopt het hele concept dus vast. Want precies dit idee van de staat-als-werktuig klopt niet. Preciezer: het idee is oppervlakkig en incompleet.

De schrijvers weten dat daar de angel zit ligt: in hun kijk op de bruikbaarheid van de staat voor antikapitalistische transformatie. Omgekeerd ook: als ze kunnen laten zien dat de staat niet “inherent kapitalistisch” is, dan vervalt de revolutionaire noodzaak om de staat kapot te maken om een antikapitalistische omwenteling de ruimte te geven. “Als een insurrectionaire politieke strategie berust op de staat als inherent kapitalistische kracht, dan valt deze strategie als de staat niet aan die premisse voldoet.” En volgens de schrijvers voldoet de staat inderdaad niet aan die premisse van de “inherent kapitalistische” aard ervan. Ja, de staat “wordt gedomineerd door kapitalisten en zal, als puntje bij paaltje komt, geneigd zijn hun belangen te begunstigen, eerder dan de belangen van andere sectoren. Die neiging laat echter niet zien dat de staan intrinsiek gestructureerd is op m kapitalisten te brengen, maar om dat de sociale overheersing van de kapitalisten zich manifesteert in de politieke keuzes die genaakt worden door degenen die de staat beheersen.” Als die sociale overheersing door coöperaties en door een breed gesteunde socialistische partij wordt uitgedaagd, als degenen die de staat nu beheersen worden vervangen door pro-socialistische politici, dan kan de staat andere belangen begunstigen en het kapitalisme dus tegenwerken. De staat is instrument van sociale krachten waar ze ingebed is, onder wiens druk en zeggenschap ze functioneert. De staat is een instrument, te hanteren door wie haar in handen heeft. “In andere woorden: de staat opereert niet langs kapitalistische lijnen. De staat opereert in een kapitalistische context.” Verander de context, en je verandert de staat. Dat is de logica van de twee auteurs.

Ze houden hiermee de mogelijkheid van niet-kapitalistische staten nadrukkelijk open. Zo schrijven ze: “Omdat het kapitalisme de sterkste productiewijze is, zal aan staten die vijandig tegenover dat kapitalisme staan investering worden ontzegd, en zullen ze in een nadelige positie geplaatst zijn in de competitie tussen staten, vooral als ze laatkomers waren in de industrialisatie. Ze zullen veelal geneigd zijn om armer te worden in vergelijking met hun kapitalistische buren, hetgeen leidt tot toenemende interne onvrede, verbrokkeling van elites, en hun waarschijnlijke omverwerping door hetzij interne hetzij externe vijanden”. Daar hebben we ze: staten die vijandig staan tegenover het kapitalisme, achterblijven bij hun kapitalistische buren. Kennelijk betreft het hier ‘niet-kapitalistische’ staten.

Doelen de schrijvers op staten waar het feodalisme een soort antikapitalistisch gevecht leveren? Bedoelen ze Bhutan? Ethiopië tot de militaire machtsgreep van 1974? Uit het verhaal van kapitalistische druk en uiteindelijke omverwerping van binnenuit of buitenaf lees ik toch eerder de lotgevallen van de Oost-Europese staten tussen 1947 en 1989, van Nicaragua tussen 1979 en 1990. En de druk die het kapitalisme op bijvoorbeeld de Cubaanse en Chinese economieën uitoefende en het tot interne, marktgerichte hervormingen bracht, is herkenbaar in de formulering van staten die armer worden in vergelijking met “hun kapitalistische buren” en daarom tot hervormingen overgaan. Het is het verhaal van de niet kapitalistische staten, of ze nu als ‘reëel bestaand socialisme” of als ‘arbeidersstaten’, ‘gedegenereerd’, ‘bureaucratisch gedeformeerd’ of weet ik wat, versus ‘het kapitalisme’ dat hier opduikt. En het is een onzin-verhaal. Al deze ‘niet-kapitalistische’ staten werkten volgens kapitalistische logica.

Cuba dreef op export, aanvankelijk van suikerriet, tegenwoordig ook van gezondheidstechnologie en gezondheidswerkers die ze bijvoorbeeld naar Venezuela sturen in ruil voor olie. De Sovjetunie en de Oost-Europese satellietstaten zochten koortsachtig naar exportmogelijkheden – om aan harde, Westerse valuta te komen. Voor China gold iets soortgelijks. Dat Rusland en China een tijdlang zich vrijwel volledig afschermden van de wereldmarkt – en die afscherming met militaire middelen garandeerden – was omdat ze bij rechtstreekse concurrentie, vanwege de enorme achterstand in productiviteit, onder de voet zouden worden gelopen. In de wapenwedloop die daarmee samenhing, moesten deelnemende staten elkaars productiviteit proberen bij ter benen, analoog aan het bijhouden van elkaars productiviteit via marktconcurrentie. Zo had de Sovjetunie zich wel uit rechtstreekse marktconcurrente teruggetrokken, maar zag zich genoodzaakt een soortgelijke wedloop via wapentechnologie aan te gaan. Zo werd de kapitalistische logica evengoed aan die Sovjetunie – en aan China – opgelegd, via een iets ander mechanisme. De “aan het kapitalisme vijandige staten” vormden een extreme versie van hetzelfde kapitalistische protectionisme waar Duitsland en de VS in de negentiende eeuw gebruik van maakten.

Het waren maatschappijen van geforceerde industrialisatie achter zwaarbewapende tariefmuren, afgedwongen door het via repressie laaghouden van lonen zodat er zoveel mogelijk van de opbrengst gestoken kon worden in investeringen om de nationale economie te versterken tegenover rivalen. Concurrentie, accumulatie van kapitaal, uitbuiting: het was er allemaal. En de uitbuiting liep via loonarbeid in fabrieken en dergelijke, aangevuld met een soort tribuutstelsel met feodale trekjes op het platteland, voor de fans heel progressief aangeduid met mooie woorden als de vorming van ‘coöperaties’, ‘collectivisering’ en meer van dat fraais. Staatsgrootgrondbezit zou een wat eerlijker woord zijn geweest voor deze vorm van uitbuiting. En waar ging, bijvoorbeeld in het geval van Rusland in de jaren dertig, het aldus verbouwde product heen? Deels naar de steden, om de arbeidersklasse te voeden wiens uitbuiting in het hele project centraal stond. Deels naar de export, om machines van te kopen. Alle ingrediënten van een kapitalistische productiewijze waren zichtbaar aanwezig. Alleen zag de winst er boekhoudkundig anders uit, en waren privé-kapitalisten vervangen door de staat als enige, of volstrekt overheersende, kapitalist.

Wat heeft dit te maken met de discussie over het kapitalistisch karakter van de staat? Nogal wat. Deze staatskapitalistische regimes waren immers ontstaan door de staat te gebruiken als hefboom tegen de privé-kapitalisten, precies wat de twee schrijvers van de genoemde artikelen beogen te doen. In China, Cuba, Vietnam en dergelijke regimes was de gebruiker van die hefboom een revolutionair-gemotiveerde guerrillabeweging. In Oosteuropa en Noord-Korea was het een socialistisch-gemotiveerde partij die onder dekking van het Russische leger de lakens uit kon delen. In het geval van Rusland vanaf 1917, het prototype van al deze “aan het kapitalisme vijandige staten”, was het een revolutionair-gezinde partij die aan het hoofd van een revolutie de macht verkreeg, diezelfde revolutie via Kronstadt en de Oekraïne naar huis had gestuurd en haar eigen macht verdedigde tegen alle uitdagers, van buiten en van binnen, van rechts, van links en vooral ook van onderen.

En steeds gebeurde hetzelfde: de staat, geleid daar revolutionair gezinden, duwden de privé-kapitalisten uit hun rol en hun machtspositie. De ondernemers werden vervangen, door de staat zelf, door haar bureaucratie. Die ging doen wat eerst de privé-kapitalisten deden: de loonarbeid organiseren, de productiviteit opdrijven, zich het door arbeiders vervaardigde meerproduct toe-eigenen en omzetten in nieuwe machines en bedrijven, en uiteindelijk in productie voor de verkoop, waarmee het meerproduct dus in meerwaarde was omgezet volgens de door Marx geschetste logica. De staat bleek wel een hefboom tegen concrete kapitalisten die onteigend werden. Maar de staat bleek nergens een hefboom tegen het kapitalisme zelf, wiens logica ze immers reproduceerde tot in de diepste kern. Ik denk dat dit iets laat zien over de staat zelf, niet alleen over de context waarin ze opereert , niet alleen de krachten die invloed op haar uitoefenen. Immers, als krachten in alle oprechtheid proberen de staat te gebruiken om het socialisme te vestigen, en desondanks nergens verder komen dan reorganisatie van kapitalistische verhoudingen onder nieuw management, dan ligt het niet aan goede bedoelingen. Het ligt aan het gekozen, maar voor het doel onbruikbare, instrument: de staat.

Wat is de staat in de kern eigenlijk? Friedrich Engels noemt als haar “essentiële kenmerk”: “een van de massa van het volk onderscheiden openbare macht”. Waar de openbare macht samenvalt met de bevolking die zichzelf organiseert, is van een staat geen sprake, het is de gescheidenheid die wezenlijk is. Het lijkt me een waardeviolle omschrijving. De staat is in wezen een hiërarchisch georganiseerd territoriaal beheersingsapparaat. Er is boven alles de geweldsfunctie, wat Friedrich Engels treffend ving in zijn formulering van de staat als “bende gewapende mannen”, waarbij tegenwoordig ook gewapende vrouwen een rol mogen spelen. De staat is een dwangapparaat, van bovenaf aangestuurd. Om die gewapende eenheden – politie, leger, geheime dinsten, gevangeniswezen – aan te sturen, van opdrachten, instructies en doelgerichtheid te voorzien, is er een bureaucratisch apparaat. Om het geheel van coördinatie te voorzien in er een hoofdbestuur, doorgaans ‘regering’ genoemd. Er is doorgaans iets van een symbolisch hoofd, gekozen of gekroond, om het geheel legitimatie te verschaffen in de ogen van de overheerste bevolking. En er is een systeem van georganiseerde afpersing in de vorm van belastingheffing, om het hele spul te betalen. Het gaat allemaal van boven naar beneden, met een handvol officieren en topfunctionarissen bovenaan, en een hiërarchisch georganiseerd legioen van ambtenaren, soldaten en agenten onderaan dat de orders uitvoert.

Dat laatste is van levensgroot belang. We zien hierin dat binnen de staat zélf de klassentegenstelling heel scherp zichtbaar is – en voelbaar, voor wie het waagt uit de pas te lopen. Die tegenstelling zien we ook sociaal-economisch terug. De top van de staatsapparaten krijgt topinkomens, de ambtenaren een matig salaris en de soldaten een magere soldij. Hun karakter als klasseoverheersende apparaten ontlenen ze dus niet enkel aan haar inbedding in bijvoorbeeld kapitalistische verhoudingen, maar aan hun eigen functioneren en structuur. En om te functioneren moet de staat in een economie werken waar voldoende belastingen uit te halen is. Daarmee staat ze tegenover de economie als uitbuiter tegenover uitgebuite bevolking – zelfs als buiten de staat zelf geen uitbuitende klasse zou bestaan. Zou ze die bevolking tot haar eigen personeel maken, dan buit de staat die bevolking uit niet enkel via belastingen, maar ook nog eens in de productiesfeer zelf, als landheer versus horige, als slavenhouder versus slaaf, als kapitalist versus arbeider. En dat geldt ook als de “burgerklasse” wiens uitvoerend “comité” de staatsmacht volgens Marx was, is onteigend of anderszins verdwenen. In dat geval is de staat haar eigen uitvoerend comité, en zijn de leidinggevenden in die staat zelf tot heersende klasse omgevormd. De staat is ‘van’ geen enkele externe ‘klasse’. De staat is ‘van zichzelf’, en is als zodanig klasse-macht in geconcentreerde vorm.

Dat betekent dat het onteigenen van kapitalisten door de staat geen breuk met het kapitalisme betekent en kan betekenen. Als de staat de complete economie in handen zou krijgen via nationalisering of iets dergelijks, dan moet de staat die economie ontwikkelen, al was het maar om aan belastingen te komen. Als hiërarchisch top-down-apparaat kan de staat dit alleen maar door het personeel van de vroegere particuliere bedrijven zelf in dienst te nemen als personeel. In de moderne (post-)industriële economie betekent dit: ze een salaris geven, aan het werk zetten, zich de opbrengst van dat werk toe-eigenen en erover beschikken. De staat opereert daarmee zelf als kapitalist, de door de staat aangestelde bestuurders als kapitalistische managers. Dat zagen we in de diverse zogenaamde ‘arbeidersstaten’, het ‘reëel bestaande socialisme’ waarover het hierboven al ging. Er is geen enkele reden waarom dit wezenlijk anders zou zijn als de regeringsmacht veroverd zou worden, niet via guerrillastrijd, militaire bezetting of gewapende opstand, maar via verkiezingen en parlementaire machtsvorming. Als het al niet lukt met een door de guerrillalegers van  Castro en Mao wel degelijk grondig verbouwd staatsapparaat, hoe zou het dan wel lukken met een staatsapparaat dat weliswaar aangestuurd wordt door gekozen socialisten, maar verder nog gewoon intact is? Klassenheerschappij en kapitalisme laten zich niet via de staat afschaffen, omdat zij als het ware in de staat zelf verankerd liggen.

We zien hier trouwens dat het door de twee schrijvers gehekelde Leninisme en de eigen electorale benadering minder uiteenlopen dan ogenschijnlijk lijkt. Beiden gebruiken staatsmacht – gevestigd dan wel verbouwd – als hefboom. En beiden worden precies door die hefboom tot kapitalistische herstructurering, weliswaar soms voorzien van mooie rode vlaggen, beperkt. Dat volgens de Trotskistische variant van het Leninisme de politiek van Mao niet ‘echt’ Leninistisch was, laten we maar voor wat het is: een meningsverschil binnen kringen die zich allen Leninistisch noemen. De praktijk onder de Bolsjevistische leiding in 1917-1921 – die veelal wel als legitiem wordt erkend door Trotskisten – liet hetzelfde gebruik van staatsmacht als hefboom zien, en stuitte mede daarom op dezelfde beperkingen. Het Leninisme mag dan een veel radicaler strategie voorstaan dan parlementaire politiek, in de kern is het een geradicaliseerde versie van hetzelfde sociaaldemocratische staatsgebruik en staatsvertrouwen. De staat is echter een overheersingsapparaat, en daarmee principieel iets anders dan een mogelijk emancipatiemiddel. Geloven in een bevrijdingsrol voor de staat, via verkiezingen veroverd, is geloven in een illusie, geschreven in het bloed van Salvador Allende die erin geloofde, en van al die mensen voor en na hem die zich door deze illusie op het verkeerde been hielpen zetten.

Peter Storm

2 thoughts on “De staat in de overgang

  1. Peter,

    Bedankt voor jouw stukken. Ik lees ze met veel belangstelling en ze dragen ontzettend bij aan mijn politieke oriëntatie.

  2. Deze beiden stukken laten het voortdurende probleem binnen de politiek en de buitenparlementaire groepen goed zien. Zolang de parlementaire groepen zich blijven vasthouden aan de waarden van de rechtstaat, zullen zij de handelswijze van de buiten parlementaire groepen nooit kunnen accepteren, tenminste niet openlijk, zonder zichzelf chantabel en kwetsbaar op te stellen.
    Aangezien veel mensen die het niet eens zijn met de huidige regering zichzelf niet graag identificeren met criminelen, en de gemiddelde dissident in de huidige maatschappij gecriminaliseerd wordt, willen veel mensen die zich niet kunnen vereenzelvigen met de waarden van de SP ook niets te maken hebben met de radicalen of “links-extremisten”. Naarmate het kapitalisme echter steeds meer stunt en vliegwerk behoeft om haar positie als dominant systeem te legaliseren, des te meer mensen er afvallig zullen worden in de richting van de “rechtstaat”. Mensen raken , gelukkig, steeds vaker verontwaardigd over de mate van klasse justitie.De huidige crisis kon wel eens de voorbode zijn voor een ineenstorting van het decadente, ja zelfs hedonistische westen. Zo een kleine 2000 jaar geleden gebeurde dit immers ook in het Romeinse rijk. Wanneer decadentie omslaat in hedonisme is een maatschappij aan de rand van verval in opnieuw een periode die ze in het Engels zo treffend “the dark ages” noemen.

Comments are closed.