I Have A Nightmare

donderdag 29 augustus 2013

Gisteren werd de Mars in Washington herdacht, de grote demonstratie vijftig jaar geleden in Washington voor gelijke rechten van zwarte en witte mensen. Het gelijkheidsideaal waar vijftig jaar geleden voor gestreden werd, met gevaar voor eigen leven, daar wordt nu eer aan betuigd door de president plus twee ex-presidenten. Dat is een zweem van erkenning, maar het wringt ook erg. Het staatshoofd van de VS, plus twee ex-staatshoofden hullen zichzelf in de eervolle traditie van Martin Luther King en de strijd voor burgerrechten – een traditie die op elk wezenlijk punt heeft gebotst en nog steeds botst met waar al die (ex-)presidenten in de praktijk voor staan.. Het eerbetoon van Obama, Carter en Obama  is een wantvertoning. De burgerrechtenbeweging verdient beter.

De Mars op Washington was onderdeel van een veelvormige, brede en felle verzetsbeweging tegen de systematische apartheid die vooral zuidelijke staten in haar greep had. Gescheiden faciliteiten in cafetaria’s, busvervoer, toiletten, waarbij voor zwarten de smerige en slechte, voor witten de schone en goede voorzieningen waren gereserveerd. Geen toelating van zwarten op universiteiten. Geen stemrecht voor de meeste zwarten, iets dat werd afgedwongen met een examensysteem waarin de – vaak ongeletterde -zwarten allerlei vragen over de grondwet moesten beantwoorden waar ze vanwege gebrek aan opleiding onmogelijk antwoord op konden geven. En waardoor werd het gebrek aan opleiding voor zwarten in de hand gewerkt? Precies.

Tegen die onderdrukking kwam verzet. Eindeloze juridische procedures leidden in 1954 tot erkenning van de opvatting dat “gescheiden maar gelijk” – het excuus van verdedigers van apartheid – niet aanvaardbaar was: segregatie was inherent discriminerend volgens een uitspraak van het Hooggerechtshof in dat jaar .In 1955 vertikte de zwarte Rosa Parks op te staan uit een voor witten gereserveerde zitplaats in een bus in Montgomery. Dat was aanleiding tot een boycot van de stadsbussen om er een eind aan segregatie af te dwingen. Aanvoerder werd een jonge dominee die zich radicaal-pacifistische opvattingen van mensen als Tolstoj, Gandhi en Thoreau had eigen gemaakt. Zijn naam was Martin Luther King. De actie duurde een jaar en had uiteindelijk succes.

In 1960 begon een nieuwe actiegolf toen vier zwarte studenten plaats namen in een cafetaria in Greensboro op plaatsen waar alleen witten klanten mochten zitten. Ze werden niet bediend. De volgende dag namen meer mensen aan de sit-in deel. Uiteindelijk werden het er vele duizenden in vele plaatsen, waarvan grote aantallen gearresteerd werden ook. Directe actie tegen openlijke discriminatie werd het handelsmerk van de burgerrechtenbeweging in dit stadium. Later kwamen er Freedom Rides – het werk van burgerrechtenstrijders die in gesegregeerde bussen gingen zitten – en andere acties. In diverse stegen waaonder Birmingham kwamen grote campagnes van demonstraties en burgerlijke ongehoorzaamheid. Plaatselijke racistische bestuurders lieten de oproerpolitie los op vreedzame betogers, mannen, vrouwen, kinderen. Televisiekijkend Amerika werd getrakteerd op beelden waarin brute agenten vreedzame mensen aanvielen met politiehonden en waterkanonnen.

Kennedy, inmiddels president, vond dit allemaal maar lastig. Hij was een modern mens en had wel door dat die apartheid vroeg of laat moest verdwijnen. Het stond ook zo slordig in een Koude Oorlog waarin de VS zo graag haar eigen vrijheid tegenover de totaliteire onvrijheid in de Sovjetunie aanprees. Maar hij was vooral ook beroepspoliticus, en had de racistische witte kiezers uit het zuiden hard nodig. Zwarte kiezers waren er, vanwege de apartheid, in die streken nauwelijks. Kennedy koos ervoor om straatactie – die de racisten in het harnas joeg – te ontmoedigen en in te zetten op kiezersregistratie, zodat er misschien in 1964, 1968, of 1972 voldoende zwarte kiezers waren, zodat Kennedy of een opvolger netjes via een ook door zuidelijke zwarten gekozen Congres de apartheid kon afschaffen. Geduld en wetsgetrouwheid was zijn boodschap. En niet alleen de zijne: veel min of meer progressieve mensen hielden er een soortgelijke houding op na

Martin Luther King gaf antwoord op dit soort tegenwerpingen in zijn mooie Brief uit de gevangenis in Birmingham uit 1963waarin hij zijn keuzes verantwoord aan meer gematigde geestelijken die Kings relatief radicale stellingname en tactiek bekritiseerden. In die gevangenis was hij gegooid vanwege het trotseren van een demonstratieverbod tijdens acties tegen apartheid in die stad. Hij schreef in de brief: “Dit ‘Wacht!’ heeft bijna altijd ‘Nooit! ‘betekend. We moeten, met één van onze gedistingeerde rechtsgeleerden, gaan zien dat ‘gerechtigheid die te lang uitgesteld wordt neerkomt op gerechtigheid die ontkend wordt.’ Wij hebben meer dan 340 jaar gewacht op onze grondwettelijke en van God gegeven rechten.” Nu was niet bepaald het goede moment om op meer geduld aan te dringen. King legde ook uit waarom actie nodig was, en dat dat absolute wetsgetrouwheid niet meer aan de orde was waar wetten zo overduidelijk onrechtvaardig zijn en onrechtvaardigheid verdedigen. Druk op de ketel, ook via burgerlijke ongehoorzaamheid, was nodig. “We weten door pijnlijke ervaring dat vrijheid nooit vrijwillig gegeven wordt door de onderdrukker; het moet worden geëist door de onderdrukte.”

Dit was de context waarin leiders van de burgerrechtenbeweging en bevriende progressieve aanvoerders kwamen met het idee van een Mars op Washington. Een enorme optocht moest aan Congres en president en heel het land duidelijk maken dat burgerrechten voor wit en zwart gegarandeerd dienden te zijn. Bovendien eisten ze sociale rechtvaardigheid in bredere zin, vooral ook banen. Dat paste, in een tijd waarin er wel hoogconjunctuur was maar waarin beginnende automatisering juist het soort banen begon op te doeken waar zwarte arbeiders werkten, was de werkloosheid onder zwarten veel hoger dan onder witten.

Uit het huldebetoon van Democratische president Obama en zijn Democratische voorgangers Carter en Clinton aan de Mars van destijds zou je misschien afleiden dat de Democraat Kennedy en zijn regering ook wel erg blij met het idee van een Mars zullen zijn geweest en alle medewerking verleenden. Niet dus. De regering reageerde zo ongeveer alsof de slaven al samenschoolden voor de veranda van de plantagehouder, de fakkels al ion de hand om hun kwelgeest mores te leren. Functionarissen van het Kennedy-kamp bewogen hemel en aarde om de initiatiefnemers ertoe te brengen om van de demonstratie af te zien. “President Kennedy zag de mars liever niet doorgaan en riep de organisatoren op ervan af te zien. Hij vreesde enorme rellen en geweldsuitbarstingen” , aldus de Volkskrant. Decennia van lynchpartijen waren geen reden om racisten effectief te bestrijden, maar “geweldsuitbarstingen” van zwarten waren natuurlijk ontoelaatbaar.

Initiatiefnemers wisten echter hoe groot de woede en het ongeduld in zwarte gemeenschappen al waren. Voor hen was een optocht geen vertoon van ultraradicalisme, maar eerder een vorm waarin woede nog enigszins ordentelijk tot uiting gebracht kon worden. Er vonden dat jaar al niet alleen geweldloze acties van burgerlijke ongehoorzaamheid plaats. Er waren nu en dan ook al rellen in zwarte getto’s. Initiatiefnemers van de mars waren veelal linkse liberalen en sociaaldemocraten die geen explosie wilden, maar wisten dat snelle maatregelen nodig waren om zo ’n explosie te helpen voorkomen. Kennelijk maakte men zoiets Kennedy en zijn staf duidelijk. De mars kon doorgaan.

Maar daarmee was de sabotage van staatswege niet afgelopen. De regering had de actie niet weten te blokkeren. Ze schakelde over op de strategie van de inkapseling. “De mars werd geleidelijk, bijna onmerkbaar, omgevormd van een mars op Washington in een  Mars in Washington. Waar het idee oorspronkelijk was om te lobbyen bij de Administratie, daar werd het nu een kwestie van de Administratie helpen om te lobbyen bij het Congres” (Godfrey Hodgson, “America In Our Time”, New York, 1976, pag. 196). Wat opgezet was om druk op de hele top uit te, oefenen, werd aldus een middel waarmee één deel van de top het andere deel onder druk zette.

Van confrontatie naar coöptatie, maar daartoe moesten wel voorzorgsmaatregelen tegen elk vertoon van radicalisme genomen worden. Om de goodwill van Kennedy te behouden, bekeek de organisatie van te voren de geplande toespraken.  Te scherpe taal tegen de regering zou Kennedy boos maken en goodwill kosten. Zo was er het beruchte geval van John Lewis, destijds een activist met een scherpe stellingname. Hij in zijn ontwerp-speech fel over de Kennedy- administratie: “Aan welke kant staat de regering?” En hij had willen zeggen: “Wij kunnen niet met een schoon geweten het wetsvoorstel voor burgerrechten van de Administratie steunen, want het is te weinig en te laat.” Hij doorbrak daarmee de knusse, kennelijk zelfs in een soort overeenkomst vormgegeven, harmonie tussen Kennedy en burgerrechtenleiders. Er kwam meteen druk op Lewis om zijn speech te herschrijven, anders zou een prominente spreker de mars boycotten en de goodwill van het democratische establishment gevaar lopen. De nacht voor de optocht werd de speech van Lewis in overleg herschreven (Godfrey, “America In Our Time”, pag. 197). Kennelijk speelde ook King dit nare spel mee. Hi was zijn geloof dat er via gevestigde politiek ook wel iets te halen viel, en dat die weg de moeite waard was, nog niet kwijt. Het was zijn zwakke plek.

De autoriteiten hielden met alles rekening en zetten een macht in waarbij de politie-inzet in Genua 2001 verbleekte. Er was de FBI: “Bijna 150 FVI-agenten waren aangewezen om zich onder de menigte te mengen, in samenwerking met mensen van de Secret Service. Anderen waren gestationeerd op observatiepunten op daken op het Lincoln Memorial, Union Station, en het Departement van Handel dat over de Mall uitkeek. Op het FBI-hoofdkwartier, waarvan directeur J. Edgar Hoover bang was dat het aangevallen zou worden, was de veiligheid ook opgevoerd. De staf werd gewaarschuwd niet bij de ramen te zitten”, zo beschrijft de BBC iets van de overheidshouding in een vrij onthutsend stuk over wat “de grootste militaire militaire opbouw in vredestijd in de VS” werd genoemd. De eerder aangehaalde Volkskrantreportage voegt toe: “Uit voorzorg waren er 1000 soldaten op de been en stonden er nog eens 19.000 paraat. In de lucht hielden 30 helikopters de situatie op de grond in de gaten terwijl de FBI een stopknop had die de microfoons voor het Lincoln memorial kon uitschakelen voor het geval er opruiende uitspraken zouden worden gedaan.” Deze staatscensuur bleek overbodig. De zelfcensuur had haar werk gedaan.

Wat overbleef was een op zichzelf indrukwekkende demonstratie voor gelijkheid en sociale rechtvaardigheid. Het was een symbolische climax, maar er kwam pas echt beweging in de zaak toen de trend in die maanden en jaren steeds meer verschoof van vreedzaam protest naar deels geweldloos verzet, deels ook rellen en het openlijk dragen van wapens door zwarte activisten, zoals later de Black Panthers zouden doen. Maar dát zijn aspecten waar in de herdenkingseuforie maar weinig aandacht voor is. Er waren destijds al wel mensen die zagen hoe weinig er door een e demonstratie zou veranderen, hoe taai en onbeweeglijk de machtsstructuur was. Eén ervan was een jonge folkzanger die op de dag zelf ook een optreden deed op een podium langs de route.   “‘Denk je dat ze luisteren?’ vroeg hij, terwijl hij een blik wierp in de richting van het Capitool. ‘Nee, ze luisteren helemaal niet.’” Naam van deze jonge, al vroeg gedesillusioneerde progressief: Bob Dylan. (geciteerd uit Anthony Scaduto, “Bob Dylan”, 1971/1974, pag. 151)

De herdenking van vandaag laat enerzijds zien hoezeer de platte apartheid tot een in zeer brede kring verworpen praktijk is geworden. De Mars zelf bereikte vrij weinig, maar de protest- en verzetsbeweging vanuit de zwarte gemeenschappen in bredere zin – van kiesrechtregistratie tot en met de rellen in Watts, Newark, Detroit en elders – heeft apartheidswetten onhoudbaar gemaakt en de deur open gezet voor zwarten om in allerlei delen van de maatschappij carrière te maken waar ze in 1963 nog geen toegang toe hadden. Een zwarte man in het Witte Huis is daarvan het resultaat. Maar aan het informele, zeer diepgaande racisme is weinig veranderd. De manier waarop juist zwarten extra vaak baanloos zijn, extra gauw worden opgesloten in het enorme Amerikaanse gevangeniswezen, getuigt daarvan. Nog steeds wordt je als zwarte die een witte doodt veel en veel zwaarder gestraft dan als witte die en zwarte doodt. Nog steeds is de beloning voor zwarten gemiddeld veel lager.

En van de sociale rechtvaardigheid waar het in 1963 ook over ging, is bitter weinig terechtgekomen. Juist daarom is de rol van Clinton, Carter en Obama op de herdenking zo weerzinwekkend. Carter was in de late jaren zeventig de president onder wie de koers al in neoliberale richting begon te gaan, met bezuinigingen in plaats van een al steeds trager opbouw van sociale zekerheid en collectieve voorzieningen. Keynes ging onder Carter al goeddeels bij het oud papier, behalve waar het wapenuitgaven betrof. En Clinton was verantwoordelijk voor wetgeving waarmee de sociale zekerheid ongekend werd uitgekleed. Van een serieuze bijstandsvoorziening bij baanloosheid is sinds zijn presidentschap al nauwelijks sprake. Obama blonk uit in het redden van banken, niet van het redden van mensen die bedreigd werden door huisuitzetting. Alle drie hielpen ze mee om het leven voor heel veel mensen aan de onderkant – waaronder bovengemiddeld veel zwarten – tot een nachtmerrie te maken.

Juist vandaag kan het ook geen kwaad om nóg een tegenstelling tussen King enerzijds, en Obama, Carter, Clinton én Kennedy anderzijds, naar voren te halen. King was niet alleen tegen discriminatie en sociale uitsluiting. Hij was, in toenemende mate, ook tegen imperialisme en oorlog. In 1967 hield hij een toespraak in de Riverside Church in New York waarin hij de Amerikaanse oorlog in Vietnam hekelde. Dat niet alleen, hij prees degenen die dienst weigerden uit gewetensbezwaar. En hij noemde de oorlog in Vietnam een “symptoom van een diepere kwaal in de Amerikaanse geest, en als we deze ontnuchterende werkelijkheid negeren, dan zullen we onszelf comités van bezorgde leken en geestelijken zien organiseren voor de volgende generatie. Ze zullen bezorgd zijn over Guatemala en Peru. Ze zullen bezorgd zijn over Thailand en Cambodja. Ze zullen bezorgd zijn over Mozambique en Zuid-Afrika. We zullen eindeloos optochten houden voor deze en een dozijn andere namen en eindeloos manifestaties bijwonen tenzij een beduidende en diepgaande verandering in het Amerikaanse leven en beleid.” King kritiseerde niet slechts een enkele oorlog, maar zag er een uiting in van een systematisch kwaad dat wortelde in de structuur van de Amerikaanse maatschappij. King was volop aan het radicaliseren en trok – verwoord op de van hem bekende bloemrijke religieuze manier – authentieke anti-imperialistische conclusies. Kogels maakten in 1968 ook aan dit vruchtbare radicaliseringsproces een einde.

Deze kant van King brengt hem lijnrecht tegenover de vier genoemde Democratische (ex-)presidenten. Alle vier zijn het oorlogsmisdadigers. Kennedy escaleerde de Vietnamoorlog. Carter begon de rechtse opstandelingen in Afghanistan van steun te voorzien tegen een linkse regering, die pas daarná via een Russische invasie overeind gehouden werd – totdat dit niet meer lukte. Carter escaleerde ook de kernwapenwedloop met het door zijn bewind doorgevoerde besluit om kruisraketten in West-Europa te plaatsen. Reagan zette in veel opzichten alleen maar door waar Carter aan oorlog en wapengekletter mee was begonnen. Clinton voerde oorlog in Joegoslavië om de greep op Kosovo. Hij deed ook nog een stevige raketten- en bommenregen neerdalen op Irak in 1998, van het type dat Obama mogelijkerwijs op Syrië gaat loslaten. Obama zelf heeft eerst de Afghanistan-oorlog stevig geëscaleerd voor hij de Amerikaanse inzet begon in te perken. Hij bestookt met drones Jemen en Pakistan, met stevige aantallen burgerslachtoffers.

Er is niet die radicale verandering in de Amerikaanse maatschappij geweest waar King in 1967 op aandrong. Daarom kunnen we ook vandaag de dag nog voluit deelnemen aan optochten en a manifestaties tegen de oorlog van de dag, van de week, van de maand en van het jaar. Het is nodig. Maar afdoende is het dus niet.

Peter Storm