Hoe het voorjaar wordt verdreven (1): Syrië en de escalatiedreiging

zondag 25 augustus 2013

De Arabische lente wordt gesmoord in bloed en valse hoop – en als de berichtgeving klopt, nu ook in gifgas. In Egypte komt de voormalige dictator uit de gevangenis, terwijl veel van zijn voormalige bestrijders in de cel worden gegooid. In Syrië blijft de dictatuur de bevolking terroriseren, en heeft de gewapende oppositie Westerse interventie als gevaarlijke troefkaart. Met de gifgasaanval als excuus lijkt die interventie in de versnelling gegaan te zijn. En dan gaat het niet alleen meer om het leveren wat een paar kratjes wapens en anderhalve geheim agent om op de levering toe te zien. Amerikaanse oorlogsschepen trekken zich samen. Egypte krijgt een terugkeer van de dictatuur. Syrië krijgt een grotere oorlog dan het al heeft.

Eerst Syrië, dat met de nog steeds niet bewezen gifgasaanval en de dreiging van Amerikaanse interventie weer in de schijnwerper staat. In dat land woedt sinds de voorzomer van 2011 een gewapende strijd. Aan de ene kant het Baath-regime van president Assad. Een keiharde dictatuur, gebouwd op leger en voral veiligheidsdiensten, met inner circles die vooral uit de Alawitische minderheid – een relatief liberale variant van de islam – worden gerekruteerd. Een bewind met jarenlange socialistische pretenties, wat er in de praktijk op neerkwam dat de staat als kapitaal optrad, de regering als een soort Raad van Bestuur en de staatsbureaucratie als management van de B.V. Syrië. Bindingen met de Sovjetunie en verbale stellingname tegen de VS en Israël completeerden het plaatje van pseudo-progressiviteit. Linkse mensen die onafhankelijk van de staat probeerden te werken, , voelden in de praktijk hoe voos de linkse pretenties van het bewind waren. Dat bleek al onder papa Hafez Assad. Onder zoonlief, de huidige Bashar, werd dat sterker. Er is een geleidelijke uitbreiding van de particuliere sector gekomen, nu er een een meer neoliberale koers is ingeslagen. Dat leidde tot opkomst van een groep aan het bewind verbonden nieuwe rijken, particuliere ondernemers.

Het leidde ook tot verpaupering, tot de trek van arme boeren naar de steden, waar ze in armoedige voorsteden belandden. Daar broeide woede. Toen in de eerste maanden van 2011 andere dictaturen in de regio uitgedaagd werd door protesten, vatten ook in Syrië mensen nieuwe moed. Juist in arme steden als Deraa en Homs, en later ook in verpauperde buitenwijken van Damascus, begonnen aanhoudende reeksen van felle demonstraties. Het werd een opstand, waarin vrijheidsdrang samenging met boosheid wegend de sociale ellende en ongelijkheid. De staat viel demonstranten aan, en dat bleef al snel niet tot knuppelende politieagenten beperkt. Soldaten openden het vuur. Met scherp. Keer op keer.

Niet alle soldaten trokken het om op demonstranten te schieten. Sommigen namen de benen, en namen hun wapens mee. Uit hen vormden zich milities en strijdgroepen die terugvochten tegen leger en veiligheidsdiensten. Geef ze eens ongelijk! Het was een ongelijke strijd, maar Assad verloor in 2011 en 2012 de greep op hele streken, flink wat dorpen en hier en daar een stad en stadswijk. De groeiende kracht van de gewapende oppositie had meerdere redenen. Afkeer van het bewind was aanvankelijk absoluut de kern. In die afkeer speelde de onvrijheid en armoede een sleutelrol, maar het had al snel een tragische etnisch-religieuze vertaling. Het militaire establishment leunde sterk op de Alawitische gemeenschap – een minderheid, maar oververtegenwoordigd in de top. De arme bewoners van Deraa en Homs en al die andere armoedige plaatsen en streken waarde opstand om zich heen greep waren overwegend Soennitische moslims, net als de meerderheid van de bevolking.

Dat maakte het makkelijk om de strijd om te vormen tot een oorlog tussen religieuze gemeenschappen. Het bewind zei tegen de Alawitische minderheid: als de Soennitische meerderheid de baas wordt, zijn jullie de klos. De oppositie klonk nogal eens alsof ze inderdaad de hele Alawitische gemeenschap aansprakelijk stelde voor het feit dat de Assad-kliek overwegend Alawitische herkomst had. Het hielp niet bepaald dat in de oppositie krachten als de Moslim Broederschap en diverse Salafistische groepen een hoofdrol speelden. Het hielp ook niet bepaald dat het regime in de eerste golf van demonstraties juist linkse activisten met grote beslistheid aanpakte, waardoor de revolutionaire component in het protest nog eens extra verzwakt werd. Het hielp al evenmin dat teveel linkse Syriërs iets zagen in de progressieve pretenties van het bewind en niet bepaald resoluut de kant van de opstand kozen. Zo belandde die opstand al heel snel in het vaarwater van een strijd tussen geloofsgemeenschappen, van Soennieten tegen Alawieten, Christenen en Sjiiten.

Alsof dat nog niet genoeg was, kwam er vrijwel onmiddellijk internationale bemoeienis met de strijd. Turkije was er vroeg bij. Toen uit gewapende strijders en gedeserteerde soldaten een verzetsbeweging werd gevormd, kwam het hoofdkwartier ervan in Turkije. Zowel de Syrische Nationale Raad als het Vrije Syrische leger hadden daar hun tenten opgeslagen. Zoiets is zonder instemming van de Turkse staat – geleid door Erdogan, geestverwant van de Moslim Broederschap die in de Syrische oppositie zo ’n flinke rol speelde – ondenkbaar. Het door Turkije steunen van gewapende oppositie in buurland Syrië was een vorm van interventie. Dat gold ook voor de wapens die Saoedi-Arabië en Qatar aan oppositiegroepen leverden. Qatar deed dat aan het bredere Vrije Syrische Leger en bijbehorende oppositiekoepel waarbinnen de Moslim Broederschap werkt. Saoedi-Arabië koos veelal losse, jihadistische groepen om te sponsoren. Dat had ermee te maken dat Saoedi-Arabië de Broederschap als subversieve kracht in de hele regio ziet, en haar opkomst dus stevig dwarsboomt. Het recente enthousiasme in Saoedische kring over de afzetting van Morsi in Egypte wijst in dezelfde richting. Hoe tegenstrijdig ontwikkelingen zijn blijkt echter uit het feit dat Morsi kort voor zijn afzetting zich sterk uitsprak voor steun aan gewapende strijd tegen het Syrische bewind onder religieuze vlag.

Voor Qatar is het steunen van de Broederschap – onder het mom van steun aan de ‘Arabische Lente ‘ – een manier om invloed in de regio te verwerven, in een duidelijke rivaliteit met Saoedi-Arabië. Wie een verklaring zoekt voor de houding van Aljazeera – voorstander van de ‘Arabische Lente’ maar toch vooral ook van de Broederschap en soortgelijke stromingen binnen de ontwikkelingen – kan in Qatar terecht. Aljazeera is eigendom van die staat, en daarmee feitelijk spreekbuis van een regime dat vrijheid iets moois vindt als ze er invloed aan kan ontlenen, en als de vrijheid niet te dichtbij de Qatarese troon opvlamt. Er is naast rivaliteit ook wel samenwerking van de twee staten, zoals in het geval van een basis in Turkije waar volgens verslaggeving van Reuters wapenhulp aan de gewapende oppositie is gecoördineerd in samenspraak met geheim agenten van de VS. Qatar en Saoedi-Arabië zijn het aartsconservatieve dictaturen vol olie en repressie. Het feit dat de voornaamste steun voor de gewapende strijd juist uit dit soort staten kwam, zegt iets over het reactionaire karakter dat veel van de oppositie had. Het versterkte dat karakter ook nog eens.

Op de achtergrond was er ook bedekte steun vanuit VS en West-Europese staten. Die bestond voor een flink deel uit stoere taal tegen Assad. Maar de CIA werd intussen actief in het monitoren van wapenleveranties aan opstandelingen. De VS wilde namelijk wel van Assad af, maar graag zonder dat die vervangen zou worden door een jihadistisch bewind, en zonder dat eventuele geleverde wapens in handen van Al Qaeda of soortgelijke groepen zouden belanden. Een Taliban-staat aan de Middellandse Zee, grenzend aan bondgenoot Israël, dat was niet bepaald wat Obama voor ogen staat. Het is dat Assad zich onmogelijk had gemaakt door zijn lompe onderdrukking, anders had de VS prima met zijn bewind kunne blijven leven, net als trouwens Israël, dat vanuit Damascus wel vijandige taal kreeg maar ook een grens waar rust heerste. Sympathie vanuit de VS ging dan ook niet automatisch naar de gewapende oppositie. Een tak van die oppositie kregen zelfs het indringende advies vanuit de VS om zich met voorrang tegen jihadistische strijdgroepen te keren, en niet zozeer tegen het Assad-bewind waartegen zowel die strijdgroepen als de rest van de oppositie vochten. Op een ander moment bleek er toch sprake te zijn van een stevige Amerikaanse betrokkenheid bij wapenleveranties. In de eerste maanden van dit jaar doken er opvallend veel moderne wapens op aan de kant van de oppositie. Die bleken afkomstig uit Kroatische voorraden, en met Saoedische betrokkenheid en hulp van de CIA naar gewapende strijdgroepen gedirigeerd te zijn.

De VS speelt dus een beperkte rol in de gewapende steun aan en training van de oppositie – een vorm van interventie. Ja, Qatar en Saoedi-Arabië, die zich op veel groter schaal met de Syrische strijd bemoeien, zijn in brede zin bondgenoten van de VS. Maar het is echt verkeerd om hun inmenging te zien als een Amerikaans complot of iets dergelijks. Beide staten spelen hun eigen spel, en soms lopen ze daarbij Amerikaanse plannen eerder voor de voeten. Het is hoogst twijfelachtig of Obama zo blij is met de Saoedische subsidies van allerlei loslopende jihadisten in Syrië. Daar hebben ze in de VS nare ervaringen mee. Obama kan er alleen niet zo geweldig veel aan doen, althans niet zonder nare bijwerkingen voor bijvoorbeeld de olieprijs.

Het neemt niet weg dat er dus sprake is van allerhande militaire interventies via steun aan de gewapende oppositie door Westerse en pro-Westerse staten. Dat verminkt wat als vrijheidsstrijd is begonnen tot iets wezenlijk anders. Het feit dat vanuit de oppositie men dit soort interventie ook toejuicht en er méér van wil, is deels te zien als puur pragmatisch: tegenover een vijand als Assad betrek je steun en wapens van waar je ze maar kunt krijgen. Kieskeurigheid kan de Syrische oppositie zich niet permitteren, zou je kunnen zeggen. Toch is er wel meer aan de hand. Er is wel degelijk geestverwantschap tussen dominante krachten in de oppositie – Moslim Broederschap en nog veel rechtsere Islamisten – enerzijds, en de Saoedische, Qatarese en Turkse heersers waarvan ze steun krijgen.

Zowel de interventie zelf als het karakter van die oppositiekrachten maken het allang zeer dubieus om de hele opstandsbeweging neer te zetten als “Syrische revolutie”. Er was zoiets als een Syrische revolutie in 2011. Er smeulen nog revolutionaire vuurtjes, bijvoorbeeld waar mensen protesteren in dorpen waar de oppositie de baas is, protesteren tegen machtsmisbruik en corruptie die daar voorkomt. Maar de opstand als geheel is gaandeweg ontspoord in rechtse richting, ondergeschikt gemaakt aan en inhoudelijk goeddeels verwoest door Broederschap en jihadisten, Westerse en pro-Westerse staten. Als de oppositie in haar huidige vorm en onder haar huidige leiding overwint, dan maakt de Assad-dictatuur plaats voor een rechts religieus bewind met conservatief-Arabisch en Amerikaans sponsorschap. Wie daar een revolutionaire overwinning in kan zien, mag het zeggen.

De val van het bewind leek een half jaar geleden ook nog een stuk dichterbij dan op dit moment. Het bewind heeft de laatste maanden met grof geweld enig terrein herwonnen en bijvoorbeeld haar greep op Homs – bolwerk van de opstand in de beginfase – goeddeels hersteld. Verslagen is de opstand niet, en inmiddels zijn er weer berichten over successen voor de gewapende oppositie. Maar dit bewind loopt niet – zoals ik eerder dacht en schreef – op haar laatste benen. Dat alleen al is een nederlaag voor de Arabische Lente als bevrijdingsstrijd. Die nederlaag wordt verdubbeld doordat de Syrische opstand, zoals we zagen, zeer veel van haar bevrijdingsdynamiek heeft prijsgegeven onder druk van religieus conservatisme en jihadisme en interventie vanuit Ryaad, Qatar, Ankara en Washington. Die interventie is verwerpelijk. Maar het is een naar trekje van anti-imperialistisch links (?) om met zoveel nadruk op dat interventiegevaar te hameren, en het amper te hebben over de terreur van het bewind. Het grootste gevaar voor de Syrische bevolking was de afgelopen jaren niet dat de VS in plaats van honderd mortieren en raketwerpers er tweehonderd levert, of dat er 30 CIA-agenten de opstandelingen advies komen geven in plaats van 15. Het grootste gevaar voor Syrische burgers waren en zijn de terreur die zowel Assads veiligheidstroepen en milities als allerlei gewapende oppositiegroepen uitoefenen. “Handen af van Syrië” – alsof we staten in bescherming moeten nemen in plaats van bevolkingen – is een reactionaire leus.

Het is eveneens een naar trekje van datzelfde anti-imperialistische geluid om wél met nadruk Westerse interventie van de hand te wijzen, maar te zwijgen over die andere interventie waaraan het Syrische bewind een flink stuk overleving te danken heeft. Rusland heeft voor een flink deel van het omvangrijke Syrische wapenarsenaal gezorgd en biedt meer dan enkel diplomatieke steun. Een staat die een bewind gewapenderhand omver tracht te werpen pleegt interventie. Een staat die een bewind gewapenderhand overeind probeert te houden pleegt niet minder interventie. In beide gevallen is er gewapend ingrijpen van buitenaf. De eerste afwijzen en de tweede goedkeuren of erover zwijgen is geen anti-imperialisme, maar kiezen voor het ene imperialistische machtsblok tegen het andere. Dat het machtsblok van Rusland en Iran – en op de achtergrond ook China – zwakker is dan de VS en haar bondgenoten is waar, maar voor dit principe helemaal niet relevant. Een zwakker imperialisme steunen tegen een sterker imperialisme betekent dat de imperialistische blokken wellicht stuivertje wisselen qua relatieve macht. Maar het imperialisme als systeem wordt er alleen maar door bevestigd. Russisch luchtafweergeschut voor de Syrische staat is net zo goed verwerpelijk als Amerikaanse machinegeweren voor de oppositie.

Of het regime meer terrein kan herwinnen en haar greep op heel Syrië kan herstellen? Dat lijkt me niet erg aannemelijk. Daarvoor is de oppositie te wijdverbreid, te goed geworteld ook, en daarvoor heeft het bewind zich ook teveel gehaat weten te maken. Veel meer dan terreur heeft Assad de mensen in Syrië blijkbaar niet te bieden. Dat het verzet al niet veel sterker is dan het is, getuigt niet van de kracht van het bewind maar eerder van de politieke zwakte van de oppositie. Die vervreemdt, met haar vaak repressieve gedrag, vaak de bevolking wiens bevrijding ze beweert na te streven. Af en toe lees je berichten dat mensen die aanvankelijk de oppositie steunden, uit arren moede het bewind als iets minder erg verkiezen. Het tekent de diepe impasse waarin de strijd is beland.

De luchtaanval-annex-beschietingen van afgelopen woensdag hebben de zaak vrij opeens extra op scherp gezet. Helemaal vast staat nog erg weinig. Maar er is sprake van honderden, mogelijk 1360 dodelijke slachtoffers. Artsen constateren symptomen die passen bij een aanval met gifgas, met name sarin. De VN eisen dat inspecteurs die al in Syrië zijn om onderzoek naar mogelijke eerdere gifgasaanvallen te doen, ook de site van de recente aanvallen mogen bekijken. VS en Groot-Brittannië wijzen inmiddels Assad als schuldig aan. De VS denkt op basis van voorlopige onderzoeksresultaten van inlichtingendiensten dat Syrische soldaten de aanval hebben gepleegd, en dat het bewind waarschijnlijk groen licht gaf. De Britse minister van buitenlandse zaken denkt ook dat “dit een chemische aanval is door het regime van Assad”. Rusland denkt van niet, en volgt de versie van het bewind dat opstandelingen het zouden hebben gedaan, dat er één raket kwam uit een “door de oppositie beheerst gebied”. Ik vind de gedachte dat opstandelingen sarin hebben en het kunnen afvuren niet erg aannemelijk. De gedachte dat de aanval vanuit het bewind komt ligt meer voor de hand.

Maar een waarschuwing is wel erg op zijn plaats. Veel van de berichten over de aanval komen uit oppositiekringen. Die hebben er belang bij dat er wordt vastgesteld dat er chemische wapens zijn gebruikt, en dat het bewind de dader is. Inzet van chemische wapens is immers een “rode lijn” die president Obama heeft getrokken, en waarschuwing aan Assad: gebruik geen gifgas, anders volgen er consequenties. Die rode lijn werd later afgezwakt: gebruik geen gifgas op grote schaal, want anders… Een gifgasaanval door het bewind kan precies de aanleiding zijn voor de VS om nu stevig militair in te grijpen, en dat is precies waar oppositiegroepen naar streven. Dat oppositiegroepen de schuld leggen bij het regime, is geen bewijs.

Dat de VS en haar bondgenoten ook zeggen dat Assad het heeft gedaan, zegt ook weinig. De VS beweerden van alles over massavernietigingswapens die Saddam Hoessein, Assads vroegere collega in Irak, zou laten ontwikkelen. Beweringen die vanaf dag één onbewezen en niet geloofwaardig waren, waarvoor bewijs nooit kwam, maar die wel dienst deden om de aanval op Irak in 2003 van een excuus te voorzien. Ik zou niet weten waarom we de leiders en inlichtingendiensten van VS en Verenigd Koninkrijk vandaag de dag zouden vertrouwen, na al hun eerdere leugenachtigheden. Wat veiligheidsdiensten roepen is wat zij willen dat beleidsmakers geloven, als het al niet door die beleidsmakers zelf is ingefluisterd. Met waarheidsvinding heeft inlichtingenwerk weinig tot niets van doen. Vooralsnog is de bewering dat het regime een chemische aanval heeft uitgevoerd met vele honderden dodelijke slachtoffers precies dat: een bewering. Er zijn aanwijzingen dat de bewering klopt en weinig tekens dat de bewering niet klopt is. Maar een keihard bewezen feit is het niet. Het is denkbaar dat opstandelingen wat voorraden gifgas hebben weten te veroveren uit de arsenalen van het regime. Maar alleen het regime beschikt over adequate middelen voor de grootschalige  inzet van dat gifgas zoals die kennelijk – nu ook volgens het regime en volgens Rusland dat het één-raketsverhaal heeft losgelaten – heeft plaatsgevonden.

Voor de verdere ontwikkeling is de exacte waarheid achter de bewering echter maar matig belangrijk. Wat er toe doet, is 1. of de VS de bewering behándelt als feit; en 2. of de VS nu inderdaad, nu de door Obama geproclameerde “rode lijn” is overschreden, nu wel gaat ingrijpen. Erg happig lijkt het Witte Huis en het Pentagon niet te zijn. Dat was al zo. Generaal Dempsey, de topgeneraal van de VS, noemde militair ingrijpen in Syrië in een brief aan een congreslid dat er op aandrong, geen goed idee. “In de brief (…) staat dat het volgens de regering nu niet in het Amerikaanse belang is als de Syrische rebellen de macht grijpen.” Dit kwam vlak voor de gifgasaanval naar buiten. Nu de VS duidelijk naar het Syrische regime wijst als dader, verschuift er op het eerste gezicht weinig. Obama waarschuwde voor “een erg moeilijke en dure interventie die juist meer rancune veroorzaakt in de regio”. Het is een terughoudendheid die met vredelievendheid niets te maken heeft. Als interventie goedkoper zou zijn, minderriskant, en als Obama dacht hulde in plaats van rancune in de regio te oogsten, dan is er voor hem kennelijk geen probleem. Dat het domweg verkeerd is als de grootse mogendheid ter wereld de politieagent gaat uithangen in Syrië, dat de VS daar niets heeft te zoen ken – het komt niet bij de man op. Dat de VS belangen behartigt en die verpakt als idealen, is voor Obama net zo vanzelfsprekend als voor Bush. Obama wil geen grote aanval omdat hij bang is daarmee meer te verliezen dan te winnen. Pech voor al die vergaste Syriërs en hun nabestaanden. Zij tellen slechts mee als excuus, mochten de VS tóch ten aanval willen trekken. Een keus voor interventie is geen keus voor mensenrechten of vrijheid, maar gewoon belangenpolitiek met humanitaire inkleding.

Er zit bij de pragmatisch-geruststellende taal van Obama ook nog een gifadder onder het gras. Graag geen grote aanvalsoorlog, wat Obama betreft. Maar er zijn kleinere, goedkopere en voor de VS minder riskante aanvalsopties. Een serie luchtaanvallen op Syrische militaire stellingen, iets waar het samentrekken bij Syrië van vier Amerikaanse oorlogsschepen plus kruisraketten op zou kunnen wijzen. Meer assistentie en wapenleveranties aan de gewapende oppositie. Geheime commando- en CIA-eenheden om de gewapende strijd te coachen. Aanmoediging van andere staten wapens te leveren aan de oppositie. Beperkte, maar desondanks griezelige stappen naar een grotere Westerse deelname aan de oorlog. Een gevaarlijk scenario, zelfs als het de val van Assad zou versnellen. Zoals we zagen komt daarmee vooral een machtsovername van een ander onderdrukkersbewind dichterbij, onder het mom van “bevrijding” wordt dat een wisseling van de wacht. De bevolking van Syrië verdient iets beter dan de keus tussen de bloedhonden van Assad en de bloedhonden van Broederschap en nog rechtsere stromingen die in de oppositie helaas de toon aangeven.

En als beperkte Westerse interventie Assad nu eens tegenhoudt, en zijn leger vergast over zes weken weer honderden mensen, of meer? Beperkte interventie is een hellend vlak naar grotere oorlogsdeelname. Vandaag de dag komt de grootste dreiging voor de Syrische bevolking uit het Syrische bewind en uit georganiseerde gewapende tegenstanders die dat bewind v willen verjagen om zelf een dictatuur te vormen. Met een toenemende interventie – als mensen in Aleppo en Damascus niet alleen raketten van het regime en granaten van de oppositie hebben te vrezen, maar ook nog eens bommen uit Amerikaanse straaljagers – kan dat veranderen. In het gunstigste geval brengt Westerse interventie de mensen in Syrië van de regen in de drup. Het is echter goed mogelijk dat de drup van de Westerse interventie nog erger blijkt dan de huidige regen.

Komt het tot grotere Westerse interventie, wat staat ons dan te doen? Uit bovenstaande mag duidelijk zijn dat zo’n aanval totale afwijzing verdient en wat mij betreft ook krijgt. Een westerse oorlogsdeelname in Syrië is Westerse belangenpolitiek; ze moet niet van extra geloofwaardigheid voorzien worden door haar op te leuken als humanitair of zelfs als ‘steun aan de Syrische revolutie’ of zoiets. Een Westerse oorlog tegen de Syrische staat is een oorlog tussen twee kwaden, waarin niemand de ‘goede’ of zelfs maar de minder kwade kant vertegenwoordigt.

Maar heel veel meer dan keihard nee zeggen tegen welke oorlogsdeelname of stap in die richting is, vrees ik, niet echt aan de orde. Je komt namelijk al heel gauw in onfrisse coalities terecht. “Handen af van Syrië” klinkt in de huidige verhoudingen onvermijdelijk als stellingname ter verdediging van de Syrische staat onder haar huidige leiding. Dat is geen stellingname tegen oorlog, maar tegen één van de twee partijen daarin. Er zijn sinds de opstand begon al voortdurend mensen geweest die voor Assad partij kozen. Als de kruisraketten komen, dan zullen zij het helemaal voor hun vrienden in Damascus opnemen.

Een nee tegen aanval omdat het Westerse kamp net zo verwerpelijk is als het kamp van Assad en Putin is iets anders dan een nee tegen diezelfde aanval omdat men Assad en Putin ziet als bevriende krachten. Nee uit solidariteit met de bevolking, en ter verdediging van de autonomie van volksverzet is één ding. Nee uit solidariteit met Assad en diens regime staat daar lijnrecht tegenover. Samen demonstreren met de apologeten van Assad? Geen haar op mijn hoofd, en hopelijk op vele andere hoofden. Zoiets is ook nog eens een klap in het gezicht van mensen die dagelijks door Assad worden bestookt. Assad zal zulk protest zien als steunbetuiging, en in de concrete krachtsverhoudingen ís het dat ook. Die kant moeten we nadrukkelijk niet op.

Assads bewind verdient een spoedig en hardhandig einde. Dat dient echter alleen te worden toegebracht door de Syrische bevolking in een authentieke vrijheidsstrijd. Niet door een coalitie van rechtsreligieuze brigades, conservatief-Arabische wapenhulp en Amerikaanse kruisraketten. Partij kiezen voor Assad is het in de steek laten van de vrijheidsimpuls die aan de opstand wel degelijk ten grondslag lagen. Het is verraad aan de slachtoffers van Assads terreur. Maar partij kiezen voor de VS is toelaten dat die vrijheidsimpuls ten bate van nieuwe antiautoritaire machthebbers en Westerse geostrategische belangen wordt misbruikt.

Wat we dan wel kunnen doen om het bloedbad snel te stoppen, als we de ‘hulp’ van de VS aan de opstand afwijzen? Misschien wel helemaal niets. Maar dat is beter dan het ene kwaad steunen tegen het andere, zodat kwaad alleen maar verder op kwaad wordt gestapeld.

Peter Storm