Duitsland destijd, Griekenland vandaag de dag… en morgen?

dinsdag 13 november 2012

Afgelopen vrijdagavond vond ook in Tilburg weer een Kristallnachtherdenking plaats, georganiseerd door de AntiRacismeGroep samen met de Alevitische Culturele Vereniging Tilburg. Zoals in andere plaatsen herdachten we het feit dat in 1938 nazi-knokploegen in Duitsland op grote schaal joodse gemeenschappen aanvielen, vele tientallen joden vermoordden, zesduizend joden verwondden, joodse huizen, winkels en synagogen vernielden. Die antisemitische gewelddaad is een waarschuwing voor wat kan gebeuren als fascisten sterk worden en de ruimte krijgen. Er valt een vergelijking te trekken tussen de opkomst van nazi’s en Jodenvervolging in Duitsland destijds, en de vervolging van migranten en vluchtelingen in Griekenland vandaag de dag. Over dat onderwerp hield ik een lezing, waarna er discussie was met mensen uit het ruim dertig mensen tellende publiek. Wat volgt is niet de letterlijke tekst van mijn verhaal, maar wel een weergave van de gedachtengang in artikelvorm, met uitbreiding en verwijzingen naar bronnen waar ik informatie uit heb geput.

Duitsland destijds…

Wat was de achtergrond in Duitsland destijds? In 1929 brak een wereldwijde economische crisis uit. In Duitsland was die bijzonder hevig, met een werkloosheid die rond één derde van de arbeiders baanloos maakte. En werkloosheid betekende domweg honger, bittere armoede, veel scherper dan in Nederland vandaag de dag. Wie niet werkloos werd, had de angst om het te worden te verduren, en bovendien loondaling en dergelijke.

Als er zo’n crisis is, dan gebeuren er tamelijk standaard drie ontwikkelingen. Zo ook in Duitsland. Het eerste komt van hogerhand, uit de economische en daarmee verbonden politieke elites, de ondernemers en de staat. Een kapitalistische crisis is een crisis van de winstgevendheid. Dus gaan ondernemers zoeken naar mogelijkheden om die winstgevendheid op te krikken. Drastische kostenbesparingen maken daarvan deel uit. Dus gaan verliesgevende bedrijven dicht en staat het personeel ervan op straat. Bedrijven die het nog redden, verlagen de loonkosten door ook arbeiders te ontslaan, en door het resterende personeel loonsverlagingen door de strot te duwen. Bedrijven dringen aan op lagere belastingen; geestverwante politici vertalen die aandrang in bezuinigingen op het overheidsbeleid. Sociale zekerheid – in Duitsland relatief goed ontwikkeld in Duitsland in de jaren twintig – werd uitgekleed, ambtenaren ontslagen. Het kwam allemaal neer op een systematische reeks aanvallen op het levenspeil van de brede onderkant, van arbeiders met een baan en arbeiders die hun baan kwijt waren geraakt, en op hun gezinnen.

De tweede standaard ontwikkeling is dat de onderkant – bestaande uit die aangevallen arbeidersbevolking – dat niet pikt. Stakingen tegen loondalingen en ontslagen. Werklozenprotesten, hongeroproer, pogingen dit soort klassenstrijd te organiseren via vakbonden en linkse partijen, passen in dat beeld. Symptoom ervan was de groei van de Communistische Partij van Duitsland. Op haar politiek is genadeloze kritiek noodzakelijk. Maar ze bundelde wel veel van de meest strijdbare arbeiders in pogingen zich te verweren tegen de poging van hogerhand om arbeiders uit te kleden met winstherstel als oogmerk.

De derde standaard ontwikkeling is voor dit betoog echter de meest belangrijke. Mensen tussen wal en schip, mensen in het midden – niet rijk genoeg om de winsten via hun economische macht en politieke invloed op te krikken over arbeidersruggen, maar tegelijk qua positie en status verheven boven de massa van arbeiders – begonnen te roepen om een sterke man, om een harde hand, een einde aan de om zich heen grijpende chaos, een terugkeer naar traditie, vaderland, orde en gezag en aanverwante zaken. Afgunst jegens de rijken waar ze eigenlijk bij wilden horen; angst om af te glijden naar de rangen van de arbeiders waar ze minachting voor hadden, maakten maatschappelijke middengroepen vatbaar voor zulk soort politiek. je moet dan denken aan eigenaren van kleine en middelgrote bedrijven, winkeliers, zelfstandige boeren, maar ook aan middelhoog personeel in bedrijven en staatsdienst. Die laatsten – veelal als employees aangeduid – deden administratief werk, en er was in die tijd een fors aangezet standsverschil tussen deze mensen enerzijds, en handarbeiders anderzijds.

Deze mensen dachten veelal niet in termen van horizontale solidariteit – het wapen van de arbeidersklasse – maar in termen van hogerop komen en trappen naar beneden. Hiërarchisch denken sloot hier bij aan. Verbittering onder deze groepen richtte zich tegelijkertijd tegen de top van ‘profiteurs’ als tegen ‘ondermijning’ vanuit de arbeidersbeweging die de hiërarchie bedreigde. Angst voor chaos vertaalde zich makkelijk als angst voor het vreemde dat chaos brengt. Van daaruit is de stap naar angst voor, en haat jegens, de ‘vreemdeling’ niet zo groot. De ‘vreemdeling’ op wie dit soort angst veelal geprojecteerd werd, was de jood. Antisemitisme sloot aan bij deze reactionaire belevingswereld. Dat werd in ede hand gewerkt door de hang naar nationalisme – de natie als toevluchtsoord en veilige haven. Die natie was in dit beeld gebouwd, niet op gemeenschappelijk burgerschap maar op bloedverwantschap. Dat was impliciet al racistisch, en van daaruit was de stap naar expliciet racisme vrij eenvoudig te maken.

De zojuist beschreven middenklasse werd de groep waar de nazipartij van Hitler boven alles haar ruggengraat en massa-aanhang vond. De nazi’s kwamen met magische ‘oplossingen’ die precies bij het omschreven wereldbeeld aansloten. Extreem nationalisme, een sterke staat met een machtige leider aan het hoofd, afrekenen met wat gezien werd als de joodse invloed, het reken van de macht van vakbonden en ‘het Marxisme’ (de linkse partijen), het vervangen van de macht van de ‘plutocraten’ van het ‘internationale kapitaal’ door vaderlandslievende ondernemers die, verlost van de dreiging van links, hun bedrijven in het vaderlandse belang konden leiden. Dit, aangevuld met praktischer zaken als steun aan de middenstand en streven naar bewapening en dus klandizie voor zware industrie – vormde de ingrediënten van een programma dat kapitalistisch was, maar tegelijk afgestemd op de middenklassen en hun wereldbeeld, niet op dat van de grootste ondernemers.

Van 1929 tot en met 1933 vond een gevecht plaats tussen die drie polen. De kapitalistenklasse die drastische kostenbesparingen probeerde door te drukken; de arbeidersklasse die zich daartegen probeerde te weren; en het fascisme dat de middenklasse trachtte te mobiliseren voor haar eigen versie van kapitalistische dictatuur. De uitkomst stond bepaald niet van te voren vast. Er kwam een opeenvolging van hard bezuinigende regeringen, aanvankelijk gesteund dan wel getolereerd door de SDP, de sociaaldemocraten die daarmee de arbeidersklasse van effectieve zelfverdediging hielpen te beroven. Uiteindelijk was het harde bezuinigen ook de sociaaldemocraten te veel, en kwamen er rechtse coalities waarin generaals een opvallend aandeel leverden. Het parlement kwam er niet veel meer aan te pas, het streven naar een openlijk autoritair regie werd voelbaar. Zo’n bewind achtten leidende kringen in de kapitalistische elite nodig om de macht van links en de vakbonden – obstakel voor winstherstel-via-kostenbesparing – te breken In dit streven vonden ze een overeenkomst met het anti-linkse streven van de nazi’s.

Links bouwde intussen geen effectief verweer op, ondanks de veelheid van demonstraties, rellen en stakingen die plaatsvonden. De sociaaldemocraten hielde krampachtig vast aan het idee dat ze mee verantwoordelijkheid moesten nemen voor kapitalistisch herstel en dus bezuinigen. De communisten vonden hierin aanleiding om niet zozeer de nazi’s maar de sociaaldemocraten als de grootste vijanden te behandelen. Verdeeldheid binnen links maakte het werk voor rechts en uiterst rechts wel heel makkelijk. De nazi’s bewezen intussen hun nut voor de kapitalistenklasse door met hun knokploegen en paramilitaire groepen daadwerkelijk communisten en andere linkse mensen aan te vallen. Communisten vochten dapper terug, maar de weigering om die strijd te verbreden en samen te werken met iedereen die door nazi’s aangevallen werd, maakte het moedige verzet relatief weinig effectief. Sociaaldemocraten op hun beurt vertrouwden op een legaliteit tegen nazi’s die er met hun straatterreur allang blijk van gaven dat ze aan die legaliteit lak hadden als het erop aankwam.

Intussen nam de chaos wel burgerachtige vormen aan. In de kapitalistenklasse groeide de neiging om – nu mildere vormen van autoritair bestuur niet afdoende bleken, en de Communistische Partij aanhang won – de riskante maar wel doortastende optie die de nazi’s boden – totale dictatuur, volledige afrekening met links – in overweging te nemen. Sommige grote ondernemers begonnen de nazi’s van fondsen te voorzien. In de eerste maanden van 1933 werd uiteindelijk een coalitie van conservatieven en nazi’s in elkaar geknutseld met Hitler als kanselier. Dit gebeurde achter de schermen. Ja, de nazi’s hadden toen rond de dertig procent van de stemmen. Maar nee, Hitler is dus niet democratisch aan de macht gekomen. Het was kliekjespolitiek van een handvol bankiers en hoge militairen die de doorslag gaf. Zwakte en verdeeldheid van links en de arbeidersbeweging openden de weg, kapitalistische belangenpolitiek dreef het proces richting totalitaire, anti-linkse dictatuur, de nazi’s verschaften die belangenpolitiek haar moorddadige en zelfbewuste instrument..

De nazidictatuur zelf bood ondernemers het verhoopte winstherstel, via het afschaffen an vakbondsinvloed, het onderdrukken van links en het breken van arbeidersrechten. Lonen vlogen omlaag, winsten omhoog. De nazidictatuur begon ook met het systematisch uitsluiten van joden, eerst uit het openbare leven. Dat mondde uit in racistische wetgeving, in pesterij en vervolging. In 1938 werd dat explosief zichtbaar in de Kristallnacht. Uiteindelijk mondde het antisemitisme – van middel om frustraties van een doelwit te voorzien en de nazi’s aan aanhang te helpen nu tot staatsbeleid geworden – uit in de gaskamers. Een gigantisch maatschappelijk gevecht dat loskwam als rectie op een diepe economische crisis had dit gruwelijke proces in gang helpen zetten.

Griekenland momenteel…

Welnu, een vergelijkbaar maatschappelijk gevecht is momenteel gaande, vanwege een vergelijkbare economische crisis. Het meest schrijnend is de ontwikkeling in Griekenland. Daar houdt de na de kredietcrisis losgekomen recessie diepgaand huis. Hoe dat zo gekomen is, ga ik hier niet uitleggen; het volstaat om ook hier te zien dat het een crisis van de kapitalistische winstgevendheid betreft. Griekenland als beleggingsobject bleek de internationale investeerders niet de gegarandeerde winsten op te leveren waar ze op hadden ingezet.

We zien in Griekenland de drie in Duitsland geschetste krachten in een vergelijkbaar gevecht gewikkeld. Ondernemers – de Griekse en de internationale – wilden en willen herstel van de winstgevendheid door drastische kostenbesparing. Daar draaien die eindeloos doordreunende bezuinigingsprogramma’s om. Loondaling. Massaontslagen. Bankroet van verliesgevende bedrijven. Sloop van pensioenrechten. Uitholling van zorg en onderwijs. Alles om ondernemers aan goedkope productievoorwaarden te helpen, en de staatsuitgaven terug te dringen. Een frontale aanval op de bestaansvoorwaarden van werkende arbeiders, van opgroeiende arbeiders , van werkloze arbeiders, van gepensioneerde arbeiders, en van hun familieleden. Helemaal niet zo veel anders als wat het grote kapitaal de arbeidersklasse in Duitsland vanaf 1929 aandeed.

De tweede reactie is ook zeer herkenbaar: die getergde en aangevallen arbeidersklasse weert zich. Dat doet ze heftiger en effectioever dan dit in 1929 en 1933 in Duitsland gebeurde, en daar ligt een stukje hoop. Vakbonden hebben afgelopen week de eenentwintigste algemene staking gehouden, en komende week volgt de tweeëntwintigste. Dat is allemaal minder dan een maand nadat de twintigste algemene staking plaatsvond: op 18 oktober. Het zijn veelal één- of tweedaagse stakingen, vaak enigszins ritueel van aard, met een stevig element an stoom afblazen zonder dat de bonden de zaak op de spits willen drijven. Maar ze laten iets zien van de woede die leeft en de kracht van arbeiders. De stakingsdagen gaan veelal gepaard met heftige rellen. Tussendoor vinden andere stakingen en demonstraties plaats, rellen en andere actievormen. Ook sommige zwakheden van links zien we terugkeren: een legalistische en vaak mee bezuinigende sociaaldemocratische PASOK; een Communistische Partij KKE die weigert samen te werken met andere delen van links en puur haar kracht opbouwt, als ware het een winkel die haar marktaandeel verdedigt. Verdeeldheid tegen een bezuinigingsregering en tegen Europese financiers en functionarissen die het bezuinigingsbeleid eisen en via kredietchantage proberen af te dwingen.

De derde reactie – gewelddadige reactionaire politiek, gedragen door delen van de middenklasse – zien we ook. De opkomst van de Gouden Dageraad is een zeer griezelige uiting daarvan. Het betreft hier een regelrechte nazipartij met zo ongeveer alles er op en er aan. Het gaat vele malen verder dan het rechts-extremisme van iemand als Wilders, die racistisch gif verspreidt, agressief nationalisme aanjaagt en daarmee onvrede kanaliseert tegen migrantengemeenschappen. Het gaat zelfs verder dan bijvoorbeeld het Front National, die racisme en nationalisme via een fascistische beweging propageert die méér is dan enkel een electorale formatie. Fascisten als le Pen geven hints van waardering voor de traditie waar ze in staan, maar doen dat redelijk bedekt. Bij Gouden Dageraad is van dit type terughoudendheid tamelijk weinig te merken.

De Gouden Dageraad bestaat sinds 185, maar kent oudere wortels. Veel informatie over haar aard en ontwikkeling is te vinden in “Report: Golden Dawn, 1980-2012: the Neonazi’s Road to parliament” op de website Borderlinereports.net, een tekst waar ik ruimschots gebruik van heb gemaakt voor mijn betoog. De Leider van het spul, begon in 1980 al een blad van die naam. De man heet Nikos Michalolaikos, en was al als 16-jarige in 1973 lid van een nazi-club In 1976 werd hij aangehouden wegens een aanval op een journalist, in 1978 kwam hij in botsing met justitie wegens lidmaatschap van een extreemrechtse partij en het bezit van explosieven. In 1984 werd hij voorzitter van de jeugdafdeling van een extreemrechtse organisatie die sympathiseerde met de militaire dictatuur in Griekenland tussen 1967 en 1974, het zogeheten kolonelsbewind. Deze benoeming vond plaats in opdracht van Papadopulos himself, de baas van dat bewind die na de val ervan in de cel was verdwenen. In 1985 wordt dan de Gouden Dageraad gevormd, die via gedaanteverwisselingen zich tot de huidige nazipartij/ beweging is uitgegroeid.

De beweging deed van zich spreken rond 1993, toen de Joegoslavische deelrepubliek Macedonië onafhankelijk was geworden. Griekse nationalisten – waaronder de Gouden Dageraad – zagen alleen al de naam ‘Macedonië’ als een nationale belediging: Macedonië hoorde bij het Griekse erfgoed sinds de tijd van Alexander de Grote, een Slavische staat die deze naam voerde was onverteerbaar. Gouden Dageraad werd later vooral berucht wegens geweld tegen links en tegen migranten. Een prominent Gouden Dageraad-lid verwondde bijvoorbeeld de linkse student Dimitris Kousouris in 1998.

Nu de economische crisis voortraast, zijn het vooral migranten in Griekse steden die aanvallen van Gouden Dageraad- en aanverwante knokploegen te verduren hebben. Het is bijna dagelijks raak. De politie dekt en helpt de nazi’s maar al te vaak. Als slachtoffers aangifte willen doen, werkt de politie dat met intimidatie en soms met een tegen-aanklacht tegen. Politieagenten in Athene stemmen in groten getale op de Gouden Dageraad, met percentages tussen de twintig en de vijftig procent in sommige stembureaus.

Migranten worden door de nazi’s van Gouden Dageraad behendig als zondebok aangewezen en geterroriseerd. Het proces is volstrekt vergelijkbaar met de wijze waarop nazi’s in Duitsland destijds joden tot doelwit maakten. De aanvallen op migranten krijgen gelukkig enige aandacht ook in gevestigde media. De UNHCR meldt 87 geweldsincidenten van januari tot en met september 2012. “Voor een deel van de incidenten zijn aanhangers van de extreemrechtse partij Gouden Dageraad verantwoordelijk, staat in het rapport”, zo meldt de NRC. “Er zijn aanwijzingen dat eenheden van de Griekse politie de acties van Gouden Dageraad stilzwijgend goedkeuren of zelfs aanmoedigen” aldus NRC-correspondente Marloes de Koning. “Bij stembureaus in de buurt van kazernes van de speciale politie-eenheden werd de laatste verkiezingen drie tot vier keer zoveel op Gouden Dageraad gestemd als gemiddeld.” Nazi’s en politie, samen tegen vluchtelingen en tegen mensen die solidariteit proberen te organiseren, dat is het patroon. Antifascisten die een soort patrouille hielden om waakzaam tegen aanvallen op migranten tegen te helpen gaan, weten ervan mee ter praten. Op 30 september raakte zo’n antifascistische patrouille slaags met Gouden Dageraad-nazi’s. De politie kwam ‘tussenbeide’, liet de nazi’s ongemoeid, arresteerde antifascisten die later de cel uit kwamen met verslagen van zware, op foltering neerkomende, mishandeling door de politie. De Guardian berichtte er over op 9 oktober 2012.

Neonazisme en staatsracisme

Geweld tegen migranten krijgt dus nog enige aandacht, maar het nazi-karakter van de Gouden Dageraad uit zich in bredere zin. De ideologie kent de bekende thema’s: extreem nationalisme en racisme, de vrouw als baarmoeder, homofobie. Dat laatste kwam tot uiting in geweld tegen de opvoering van een theaterstuk waarin Jezus en zijn vrienden verschijnen als homo’s ergens in Texas; Laurie Pennie schreef erover voor de site van de Greek Left Review; verheerlijking van traditie, sterke staat, de hele santenkraam, verhelderend op een rij gezet in een artikel op het waardevolle antifascistische weblog Three Way Fight. Pseudo-antikapitalisme dat zich richt tegen het internationale kapitaal van de multinationals; een fel anti-linkse houding: ‘marxisten’ wordt verweten dat ze de illegale migratie stimuleren ten bate van de multinationale ondernemers. De Nieuwe Wereldorde die in dit wereldbeeld het multinationale kapitaal én haar marxistische bondgenoten bundelt, wordt geleid door, je raadt het, de joden. Antisemitisme is niet zo prominent als in de jaren dertig, maar afwezig is het niet. Van de nazi’s van destijds is Gouden Dageraad vrij openlijk fan. Derde Rijk-kopstuk Rudolf Hess wordt door Gouden Dageraad een Griekse herkomst toegedicht, van Hitler wordt in alle ernst beweerd dat hij na zijn zelfmoord wederopgestaan is, en nog veertig dagen heeft rondgelopen tot hij ten hemel is gevaren.

Het is om te lachen, maar de politiek waar dit een symptoom van is, is geenszins lachwekkend. “Ze begrijpen niet dat, als we sterk worden, we genadeloos zullen zijn. Indien nodig zullen we onze handen vuil maken. We zijn geen democraten”, aldus leider Michailoliakis. Nog een citaat van deze man: “het is tijd om je te realiseren dat de straten nu helemaal aan ns toebehoren, zonder een spoor van spijt. Je kunt van gedachten veranderen en op ons pas lopen, op de weg van Natuur, Macht en Menselijke Geschiedenis. Doe het, of verdwijn anders uit onze ogen, want WIJ, de sterken, zullen jullie verpletteren als wormen.”

De combinatie van ideologische thema’s en gewelddadige opstelling maken duidelijk dat het hier gaat om een keiharde nazi-organisatie. De achterban is ook soortgelijk als die van de nazi’s. We zagen al de grote steun onder politieagenten. “Volgens politiek wetenschapper en opiniepeiler Christophoros Vernardakis is het primaire gehoor van de Gouden Dageraad de traditionele lagere middenklasse die veramd wordt door de crisis. Kleine bezitters, winkeliers, werklozen uit de lagere middenklassen, en de politie zijn de sociale groepen waar uiterst rechts haar hoogste scores vindt.” De aanhang van de Gouden Dageraad – 425.000 stemmen bij verkiezingen, groeit volgens opinieonderzoek nog steeds, tot 14 procent volgens een peiling, tot zelfs 22 volgens een ander onderzoek, beiden in oktober bekend geworden.

Het fascisme van de Gouden Dageraad is met dit alles een angstaanjagende machtsfactor geworden. Dit zet ook druk op het staatsbeleid tegen migranten. De nazi-voorkeur van politieagenten zal hier een rol spelen, evenals de druk die nazi’s sowieso op het regeringsbeleid uitoefenen. De Griekse staat heeft sowieso al eigen redenen voor haar beleid tegen migranten. Uitsluiting, opsluiting en grensbewaking zijn de wapens die deze staat tegen migranten hanteert, net als in andere Europese lande. De nazi-pressie verscherpt hier een tendens die nationale regeringen toch al geneigd zijn door te voeren, om de onderkant op te splitsen in een ‘eigen’ en een ‘buitenlands’ deel, waarbij het ‘eigen’ deel aangemoedigd wordt het ‘buitenlandse’ deel als vijandig en gevaarlijk te zien, en waarin de staat het ‘buitenlandse’ deel met systematische repressie behandelt. Naast het racisme van de nazi’s zien we hier een systematisch staatsracisme. Beiden werken in de zelfde richting, zij het soms met onderlinge fricties en in een ander tempo.

Het staatsracisme uit zich in de oprichting van een vijftigtal detentiecentra waar immigranten worden opgesloten om uitgezet te worden. Het gaat hier om een soort concentratiekampen en mensenrechtengroeperingen als Amnesty hekelen de gang van zaken daar. De politie houdt op klaarlichte dag grote aantallen mensen aan om hun verblijfspapieren te onderzoeken. In titaal waren daar volgens een artikel op Libcom.org in oktober al 40.000 mensen aan onderworpen geweest; alleen al in één weekend in die maand werden mensen 487 gearresteerd. Het zijn feitelijk razzia’s, en het gebeurt vandaag de dag, zonder dat nazi’s al daadwerkelijk de macht gegrepen hebben, in een land dat doorgaat voor democratisch.

Nazi-racisme en staatsracisme staan dus zijn aan zij, en vormen een symptoom van een breder verschijnsel: een wankel maar onmiskenbaar bondgenootschap tussen delen van de staat dat repressie tegen migranten hanteert en daarmee solidariteit aan de onderkant ondermijnt; en het fascisme van de Gouden Dageraad die racisme tegen migranten hanteert als onderdeel van haar eigen nazi-machtsgreep. De top van de maatschappij en het naar rechts radicaliserende midden staan zij aan zij tegenover de onderkant, de arbeidersklasse, de diverse i linksradicale stromingen en basisnetwerken die actief zijn tegen zowel bezuinigingsbeleid als tegen het racisme van nazi’s en van de staat. Het driehoeksgevecht dat in Duitsland uitmondde in een nazidictatuur, is in Griekenland nog in volle gang. De uitkomst staat allerminst vast. De nazi’s zijn een machtsfactor van gewicht, de heersers zitten ook nog stevig in het zadel – maar het verzet van arbeiders en andere delen van de onderkant is opvallend sterk en hardnekkig.

En nu?

Links in brede zin in Griekenland kent weliswaar een aantal zwakheden. De sociaaldemocratie heeft vrijwel iedere pretentie om voor arbeiders op te komen losgelaten,, veel verder dan destijds in Duitsland, en bezuinigt staatsloyaal mee. De stalinistische KKE opereert vanuit een arrogant isolement, behandelt de rest van links als rivalen, haast als grotere tegenstanders dan rechts, en staat daarmee in de treurige traditie van de Duitse Communistische Partij KPD. Vakbonden houden stakingen om stoom af te blazen, maar staan onder sterke druk van woedende arbeiders om stappen in de richting van serieus verzet te doen. Hier en daar zetten arbeiders die stappen zelf, door bijvoorbeeld bankroete bedrijven in zelfbeheer draaiende te houden. Dat soort initiatieven zijn symptomatisch van een hoopvolle kant aan de klassenstrijd in Griekenland. Ze heeft veel meer spontane, autonome, bottom-up-aspecten en onderdelen dan destijds in Duitsland.

Antiautoritaire stromingen, in de vorm van anarchistische initiatieven en basisvakbonden, geven aan dat flinke aantallen veramde jongeren, arbeiders en studenten niet klakkeloos de instructies volgen van partijbestuurders en vakbondsfunctionarissen. Dit is een fors verschil met Duitsland destijds, waarin toch wel heel veel initiatief van arbeiders afhankelijk was van instructies van bovenaf via partij en vakbond. Antiautoritaire stromingen, relatief sterk in Griekenland vandaag de dag, waren in Duitsland in 1929-1933 nogal zwak. Dat verzwakte heel de arbeidersklasse, omdat die erdoor afhankelijk was van de keuzes die een beperkte en nogal bureaucratische bovenlaag van organisaties – bonden en partijen – maakten.

Zouden die keuzes iets minder stompzinnig zijn geweest, zouden SPD en KPD en vakbonden de handen inéén gelagen hebben om samen de nazi’s tegenhouden, desnoods hardhandig, dan zou Hitler waarschijnlijk nooit kanselier geworden zijn. Maar het elan dat dit onder arbeiders hebben losgemaakt, zou maar al te makkelijk aan de greep van partij- en bondsbestuurders zijn ontsnapt, zeker als antifascisme zou zijn gecombineerd met eisen tegen bezuinigingen en verarming die arbeiders hoop hadden geboden en het appel van nazi’s hadden ondermijnd. Dat elan zou makkelijk door hebben kunnen groeien, verder dan antifascisme richting antikapitalisme, tegen de kern van het probleem . Precies daarom was een werkelijk consequent verzet tegen het fascisme bedreigend, niet alleen voor de nazi’s, maar ook voor het kapitaal, en niet alleen voor het kapitaal maar ook voor partij- en bondsleidingen van links die zichzelf meer als managers van de onvrede ten bate van eigen carrière gedroegen dan als serieuze antikapitalisten.

Het eenheidsfront van links, zoals bijvoorbeeld Leon Trotski – wiens klassenanalyse van de opkomst van het fascisme absoluut waardevolle elementen bevat, elementen die ik ook heb gehanteerd in de driehoeksstrijd die ik schetste – dat propageerde, was daarmee niet in het belang van degenen die hij daartoe aanmaande, de partij- en vakbondsleidingen. Dat was een fatale tegenstrijdigheid in diens strategie, toen en nu: hij maakte zijn strategie afhankelijk van krachten die hij ten onrechte zag als krachten binnen de arbeidersbeweging die feitelijk krachten van de burgerlijke orde waren. Hij erkende zoiets wel  waar het de sociaaldemocratische partijleiding betrof: “de sociaaldemocratisch leiders vertegenwoordigen de agentschappen van de klassenvijand binnen het proletariaat”, schreef hij in 1932. Maar voor de Communistische partij geldt dat volgens hem niet: “De Communistische leiders, alhoewel verward, armoedig en incapabel, zijn revolutionairen of semi-revolutionairen die van het rechte pad geraakt zijn.” Daarom richt hij zijn polemieken ook vooral aan de Communistische partij, om daar een koerswijziging tot stand te brengen. Dat de KPD, op een andere manier weliswaar dan de SPD, óók een instrument van de klassenvijand was – die in Moskou, maar ook die in een partijapparaat dat zelf het embryo van een nieuwe kapitalistische staatsmacht in zich droeg – ontging Trotski. Niet vreemd,. Hij had zelf k nog maar kortgeleden als kopstuk va zo’n soort staatsmacht gefunctioneerd, in de eerste jaren na de Russische Revolutie, voordat Stalin hem uit de leiding en vervolgens in ballingschap dreef.

Er was trouwens meer mis met diens analyse. De Duitse arbeider is opgevoed in de geest van organisatie en van discipline. Dit heeft zijn sterke en zijn zwakke kanten”, schrijft hij in 1931 als hij uitlegt dat de sociaaldemocratische partij als zodanig betrokken zou moeten worden in de strijd, omdat sociaaldemocratische arbeiders nu eenmaal geneigd zijn hun traditionele leiding volgen. Over de zwakke kanten van discipline en organisatie heeft hij het echter nauwelijks. Dat zou niet erg zijn als hij doelde op zelforganisatie, zelfdiscipline. Maar het gaat in Trotski’s betoog toch vooral over iets anders. Hij doelt duidelijk op het gangbare soort van organiseren: alles gaat langs lijnen van partijen en bonden met vrij traditionele leidingen, al zijn ze soms formeel wel gekozen. Maar wat Trotski hier in te hoge mate zag als kracht van de Duitse arbeidersbeweging – haar strak georganiseerde karakter, haar loyaliteit aan partijen – was op een essentiële manier vooral haar zwakte. Basiskrachten die door de greep van dit soort leidingen heen konden breken, waren er nauwelijks. Toen leidingen bezweken, ontbrak het arbeiders veelal aan zelfstandig initiatief om de strijd succesvol te voeren. Ze waren dat zo ongeveer ontwend. Dat is in Griekenland gelukkig anders.

Een tweede verschil tussen de twee landen ligt in de aanloop. De arbeiders in Duitsland hadden de kater van een mislukte revolutie tussen 1918 en 1923 achter zich. Ze konden zich die nederlaag maar al te goed herinneren, velen van hen hadden zelf gevochten en verloren, letterlijk. Zo’n nederlaag en het demoraliserend effect ervan, is arbeiders in Griekenland bespaard gebleven, althans in recente decennia. Dat, gecombineerd met de grotere kracht van autonome en antiautoritaire strijdbewegingen en initiatieven, maakt de situatie in Griekenland wezenlijk hoopvoller dan in Duitsland destijds.

Maar er is geen enkele garantie van een goede afloop. De strijd is en wordt sowieso keihard, en er staat flink wat op het spel. Gaat Griekenland de nazi-kant op, dan straalt dit uit naar andere staten, dan krijgt fascistische politiek ongetwijfeld ook elders vleugels en lopen migranten – en de solidariteit die we allemaal nodig hebben – ook elders groter gevaar. Ook hier helpen om dat te voorkomen is dus in ons welbegrepen eigenbelang, solidariteit is geen filantropie. Die solidariteit kan meerdere vormen hebben. Zo verdienen antifascisten, bedreigd door nazi’s en door politie, onze steun. De Anarchistische Groep Nijmegen propageert zulke steun, bijvoorbeeld door het verspreiden van aansprekende posters. Verspreiding ervan, info- en solidariteitsbijeenkomsten over de zaak van deze antifascisten, zijn goede en belangrijke initiatieven.

Wezenlijk is tegelijk een strijd tegen de bronnen van wanhoop waarop fascisten en ook het staatsracisme zo van profiteren. Dat maakt de strijd tegen bezuinigingsbeleid niet een puur sociaaleconomisch, maar wel degelijk ook een gericht antiracistisch en antifascistisch belang. Wie zich bezuinigingen én fascisten én opsluiting en deportatie van migranten van het lijf wil houden, heeft dan ook reden genoeg om deel te nemen aan – bijvoorbeeld – de Europese stakings- en actiedag tegen bezuinigingen, komende woensdag 14 november. Strijd voor een beter bestaan, solidariteit van onderop, juist ook met degenen die het meest acuut bedreigd worden door fascisten en door de staat – laat dat de onderdelen zijn van een aanpak die de Gouden Dageraad maar ook de politiek die deze nazi’s zoveel ruimte biedt, naar een door weinigen betreurd verleden weet te verbannen.

Peter Storm

One thought on “Duitsland destijd, Griekenland vandaag de dag… en morgen?

  1. Prima stuk, Peter. Goede verbanden gelegd.

    Wat ik echter jammer vind is dat het antisemitisme op zich in dit soort artikelen dreigt weg te vallen. De Kristallnacht is niet alleen te zien in het kader van de crisis en de nazi-politiek, maar (zeker) ook in het kader van de al bijna 2000 jaar oude Europese traditie van geweld jegens joden. Het racisme en de ideologie tegen de joden is toch wezenlijk anders dan het racisme tegen migranten/moslims enzovoorts. Dat had wel iets benadrukt mogen worden in je verhaal. Daarbij lijkt het door deze benadering of het antisemitisme vandaag de dag eigenlijk niet meer voorkomt en soort van vervangen is door ‘islamofobie’ of racisme tegen vluchtelingen/migranten in het algemeen. Maar dat is natuurlijk niet het geval: in Nederland én in Griekenland leeft antisemitisme nog volop. In Griekenland komt antisemitisme voor bij extreem-rechts én bij links, zoals de radicaal-linkse organisatie Terminal 119 uit Thessaloniki uitgebreid beschreven heeft.

    Ik vind het altijd jammer dat op de enige dag per jaar dat er mogelijk wat specifieke aandacht zou kunnen zijn voor de strijd tegen antisemitisme, de aandacht vaak juist weggetrokken wordt naar andere problemen (die overigens natuurlijk net zo belangrijk zijn). Ik heb daar vorig jaar uitgebreid aandacht aan besteedt in mijn praatje in Tilburg bij de Kristallnacht-herdenking.

Comments are closed.