Nederland, Frankrijk en de oorlog in Mali

donderdag 17 januari 2013

O gutteguttegut, o gutteguttegut, het is weer eens zo ver. Nederland op oorlogspad. Dat gaat in lijn met de VOC-mentaliteit: koloniaal, kleinzerig en laf. Het koloniale karakter van de oorlogbespreek ik verderop. Kleinzerig en laf is de operatie in ieder geval. Nederland stuurt geen soldaten naar Mali, maar een paar transportvliegtuigen om “Frans militair materieel”, oorlogsspullen dus, richting buurlanden te helpen, zodat Frankrijk zelf oorlog kan voeren in Mali. “Het gaat niet om deelname aan de Franse militaire missie, schrijven de bewindslieden.”  Nee, alleen maar aan het ondersteunen ervan. Aldus het “Mali-beleid” dat Nederlands er nu opeens op na blijkt te houden.

Lafbekkige ondersteuning van imperiale oorlogsvoering is het, want om imperiale oorlogsvoering gaat het, om een herleving van oude koloniale tijden. Het kan geen kwaad om wat argumenten daaromheen langs te lopen. De typering ‘(neo-)koloniale oorlog’ voor de interventie in Mali roept namelijk her en der wat bezwaar op. “Dit is geen neokoloniaal offensief”, schrijft bijvoorbeeld Gregory Mann.  Waarom niet? “Frankrijk intervenieerde na een rechtstreeks verzoek om hulp van Mali’s interim-president, Dioncounda Traore.” Moet dat een steekhoudend argument tegen het neokoloniale karakter van een oorlog wezen? Is het werkelijk voor het eerst dat koloniale of imperiale mogendheden die ten oorlog gingen, zich beriepen op een hulpverzoek van plaatselijke machthebbers die bescherming zochten? Het is een variant van verdeel-en-heers, de oudste truc uit het koloniale handboek.

Mann vervolgt: “De meeste Malinezen vierden de aankomst van Franse troepen”. Een bewering waar hij meerdere bronnen voor aanhaalt om te vervolgen met: “Iedere Malinees die ik sprak is het met dat gevoel eens.” Ik denk dat de constatering er niet ver naast is: de Franse interventie richt zich tegen islamistische strijdgroepen wiens komst naar de hoofdstad bij de bevolking grote en terechte angst voor onderdrukking oproept. Natuurlijk zijn mensen opgelucht! De BBC bericht ook uit Timboektoe hoe blij mensen daar waren toen de Franse luchtaanvallen tot het vertrek van de meeste jihad-strijders had geleid. “W e zijn gelukkig, we willen Frankrijk bedanken omdat ze het goed hebben gedaan…(…) Nu voelen we ons vrij”. Onder de islamisten was het akelig: “Ze sloegen mannen, vrouwen, kinderen. Ze sneden de handen van mensen. Ze doodden mensen. We waren bang.” De islamisten sloegen echter grotendeels op de vlucht. “Mensen hebben vrijheid,. Mensen zijn gelukkig. Ze kunnen vrijuit bewegen. Ze staan niet onder druk.”

Ik vind die opluchting, en van daaruit de steun voor de Franse interventie, heel logisch. De vijand van jouw vijand verwelkom je maar al te makkelijk als vriend, zeker als het optreden van de vijand van jouw vijand nog een beetje effect heeft ook. Maar het feit dat een koloniale mogendheid steun vindt onder delen van de bevolking weerlegt geenszins het koloniale karakter van de hele onderneming. Zo gaat het immers vaker: een Westerse macht die delen van de bevolking bescherming biedt en daarom ten strijde trekt. De VS legitimeerde haar aanval in Vietnam door zich op te werpen als beschermer van weerloze Vietnamezen tegen ‘communistisch terrorisme’. De Amerikaanse cavalerie trok er in de negentiende eeuw nogal eens op uit om kolonisten in Noord-Dakota of Arizona te ‘beschermen’ tegen ‘scalperende wilden’. Reken maar dat die kolonisten blij waren! En niet alleen zij: ook Indiaanse stammen die rivalen waren van de groepen die tot ‘scalperende wilden’ waren gebombardeerd, verwelkomden Amerikaanse protectie, en hielpen vaak zelfs mee als verkenners van het leger. Het Spaanse koloniale rijk liep in de zestiende eeuw in een mum van tijd het Aztekenrijk onder de voet met “1000 Spanjaarden en 150.000 Indiaanse bondgenoten”, lezen we op Wikipdia. Die bondgenoten waren vaak deel van gemeenschappen die die onderdrukt werden door het Aztekenrijk en nu hun kans schoon zagen om dat juk van zich af te werpen – om vervolgens onder het Spaanse juk gebukt te gaan. Reken maar dat veel van die 150.000 mensen aanvankelijk net zo blij waren met het einde van de Azteekse mensenoffers als mensen in Timboektoe nu blij zijn met het einde van handafhakking en andere lijfstraffen door jihadisten! Zo werkt kolonialisme. Alweer: verdeel en heers. Plaatselijk en doorgaans zeer tijdelijk! – enthousiasme voor een oorlog zegt niets over de vraag of die oorlog koloniaal is.

Het koloniale karakter is erin gelegen dat de voormalige koloniale macht – helaas met brede steun – haar wil oplegt in Mali, een politieke orde oplegt in haar eigen belang. Het gaat om het beschermen van Franse burgers, en om de verdediging van economische belangen, zoals ik gisteren schreef. Over dat laatste moeten we trouwen nauwkeurig proberen te zijn. Er wordt hier en daar verwezen naar de rol van grondstoffen als motivatie van Frankrijks ingrijpen. Zeker, de regio bevat grondstoffen. Een artikel op het weblog Bridges From Bamako geeft toelichting.  (1)Er is wat uraniummijnbouw in Mali; goud in Mali zelf. Of dat de interventie kan verklaren is echter twijfelachtig. Het goud wordt gewonnen vér buiten het conflictgebied, net als de uranium die Mali bevat. Het kan zijn dat er meer onder de Malinese bodem verborgen ligt, er wort ook gedacht aan olievoorraden, maar die zijn nog niet aangetoond. “Gegeven wat we niet weten over wat er onder Malinese bodem ligt kunnen we de mogelijkheid niet utsluiten dat natuurlijke hulpbronnen een factor achter buitenlandse interventie is”, concludeert de auteur. Hij wijst er vervolgens op dat je, om aan die grondstoffen te komen, geen oorlog hoeft te voeren maar beter de Malinese overheid kunt helpen zodat je in coproductie winstgevend tot exploitatie over kunt gaan. Dat is een zwakke weerlegging waar juist die overheid onder de voet gelopen dreigt te worden, en waar het afwenden van die dreiging doel van de operatie is.

Er is ook een ruimere kijk op dit vraagstuk nodig. Katrin Sold, van de Duitse Raad voor Buitenlandse Betrekkingen, zegt in Die Welt: Op de lange termijn heeft Frankrijk belangen in het veiligstellen van hulpbronnen in de Sahel – in het bijzonder olie en uranium, die de Franse energiewinningsmaatschappij Areva tientallen jaren aan het winnen is in het naburige Niger.” Nu is uranium in Niger nog geen uranium in Mali. Maar dat Frankrijk ook transportlijnen te beveiligen heeft om gewonnen uranium te vervoeren, en dat dit een rol an spelen in de Franse motivatie voor ingrijpen, erkent ook Bruce Whitehouse, auteur van blog Bridges from Bamakou, in één van de commentaren onder zijn eigen, eerder genoemde stuk. Doorslaggevend als verklaring voor de Franse oorlogvoering, juist nu en juist hier, lijkt het grondstoffenverhaal me inderdaad niet. Dat het een factor is die in meer algemene zin de Franse bemoeienis in het gebied waar ook Mali deel van uitmaakt mee bepaalt, is echter wel erg aannemelijk. En grote mogendheden die op grondstoffen uit zijn in bijvoorbeeld Afrikaanse landen, dat is toch een klassiek koloniaal verschijnsel.

Centraler in de Franse motivatie, en in de brede Westerse steun, is de poging om de macht van jihadistische groepen in het gebied drastisch in te perken. Dit soort groepen mogen van Mali geen bolwerk maken om grensoverschrijdend Westerse belangen te treffen met aanslagen. Daarom moet de Malinese staat militair gestut worden, met luchtaanvallen en ook met grondtroepen. Dat is de kennelijke bedoeling. Het zijn niet de wandaden die de diverse islamistische bewegingen tegen bewoners in Mali aanrichten die het motief zijn, al is de opluchting onder Malinezen over het Franse ingrijpen tegen die islamisten uit pr-overwegingen welkom. Het zijn de Westerse veiligheidsbelangen – investeren en handeldrijven zijn niet makkelijk als personeel van ondernemingen en dergelijke ontvoerd kunnen worden, en installaties gesaboteerd – die zwaar wegen. Dat de jihadisten ook nog eens onderdrukkers zijn is bijzaak, zij het uit propagandistisch overwegingen wel mooi meegenomen.

Dat mensenrechten en democratie geen doel van de operatie zijn, blijkt uit meerdere zaken. We zagen al dat de Franse steun zich kan beroepen op een uitnodiging uit Mali zelf, door de interim-president. Hoe komt Mali echter aan een interim-president? Welnu, vroeg in 2012 vond in het land een staatsgreep plaats omdat soldaten harder ingrijpen tegen – toen nog vooral seculiere en regionalistische – Toearegstrijders wilden. Internationale druk leidde ertoe dat de coupplegers een beetje moeste inbinden. Er werd een regering van nationale eenheid in elkaar gemonteerd, waar genoemde interim-president aan het hoofd staat. Maar ook de leider van de coup zit er in: mijn opmerking in mijn gisteren verschenen stuk dat onder internationale druk de staatsgreep “goeddeels ongedaan” werd gemaakt is dan ook overtrokken , het leger blijft erg invloedrijk. Dit alles betekent dat de regering van Mali een kruisbestuiving is van staatsgreep, intrige en internationale pressie, en zich dus bepaald geen gekozen, democratische regering kan noemen in de gangbare betekenis van het woord. Frankrijk, en ook Nederland, verdedigen niet ‘de democratie’ maar de Malinese staat als zodanig.

In deze taak staat Frankrijk zij aan zij met h vooral het leger van Mali. Dat leger staat niet bekend om haar mensvriendelijke en democratische gezindheid. Tussen 1968 en 2991 werd Mali geregeerd door een president die via een militaire staatsgreep de macht had gegrepen. Ook de huidige regering heeft een stevige militaire inslag. En het zijn soldaten, niet burgerpolitici, die daadwerkelijk de oorlog voeren en hun stempel drukken op de wijze waarop dit gebeurt. Ja, het leger vecht tegen gewapende strijdgroepen die zich gewelddadig vergrijpen aan bewoners van gebieden waar die groepen de baas zijn. Wrede straffen en onderdrukking zijn dan standaard, de afkeer en angst van Malinezen is volstrekt terecht. Tragisch is alleen dat het leger eveneens bruut tegen burgers en tegenstanders optreedt. Owen Jones verwees in de Independent naar Amnesty-berichtgeving en schreef: “Afgelopen juli werden 80 door het leger opgepakte gevangenen tot op hun ondergoed uitgekleed, in een cel van 5 vierkante meter gepropt, sigaretten werden tegen hun lichamen gebrand, en ze werden gedwongen elkaar te sodomizeren; terug in september 2012 werden 16 moslim-predikanten, behorend tot de Dawa-groepering, opgepakt bij een controlepost en standrechtelijk geëxecuteerd door het leger.”

Owen Jones voegt er aan toe: “Dit zijn daden die gepleegd zijn door degene die nu onze bondgenoten zijn” – ‘onze bondgenoten,’, want ook Groot-Brittannië steunt Frankrijk. Maar het zijn dus ook de bondgenoten van Nederland, nu het Frankrijk helpt. Nederland helpt niet alleen in een koloniale, en als zodanig al verwerpelijke, operatie. Het helpt de strijd tegen de ene groep mensenrechtenschenders door de andere groep mensenrechters te ondersteunen. Is er iets anders denkbaar dan een categorisch néé tegen deze hele misselijke militaire onderneming?

(1) Dit best interessante stuk trof ik in een commentaar dat van kaas plaatste bij mijn vorige stuk over Mali, zoals dat gisteren op de Doorbraak-site verscheen.

Tagged , . Bookmark the permalink.

Comments are closed.